(14.0%) than heterosexual women (2.9%). Lifetime preva- lence rates reflected differences in the same disorders, except that mood disorders were more frequently observed in homo- sexual (48.8%) than in heterosexual women (24.3%). The pro- portion of persons with 1 DSM-III-R diagnoses was only higher among homosexual (67.4%) than heterosexual women (39.1%). More homosexual than heterosexual persons had 2 disorders during their preceding lifetimes (men: 37.8 versus 14.4%; women: 39.5 versus 21.3%). Conclusion. Psychiatric disorders were more prevalent among homosexual than heterosexual persons. literatuur 1 Bailey JM. Homosexuality and mental illness. Arch Gen Psychiatry 1999;56:883-4. 2 Muehrer P. Suicide and sexual orientation: a critical summary of re- cent research and directions for future research. Suicide Life Threat Behav 1995;25(Suppl):72-81. 3 Remafedi G, French S, Story M, Resnick MD, Blum R. The rela- tionship between suicide risk and sexual orientation: results of a population-based study. Am J Public Health 1998;88:57-60. 4 Cochran SD, Mays VM. Relation between psychiatric syndromes and behaviorally defined sexual orientation in a sample of the US population. Am J Epidemiol 2000;151:516-23. 5 Laumann EO, Gagnon JH, Michael RT, Michaels S. The social organization of sexuality. Sexual practices in the United States. Chicago: University of Chicago Press; 1994. 6 Bijl RV, Ravelli A, Zessen G van. Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. II. Preva- lentie van psychiatrische stoornissen. Ned Tijdschr Geneeskd 1997; 141:2453-60. 7 Bijl RV, Zessen G van, Ravelli A, Rijk C de, Langendoen Y. Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. I. Doelstellingen, opzet en methoden. Ned Tijdschr Geneeskd 1997:141:2448-52. 8 Sandfort ThGM, Vroome EMM de. Homoseksualiteit in Nederland: een vergelijking tussen aselecte groepen homoseksuele en hetero- seksuele mannen. Tijdschrift voor Seksuologie 1996;20:232-45. 9 Peplau LA, Cochran SD. A relationship perspective on homo- sexuality. In: McWhirter DP, Sanders SA, Reinisch JM, editors. Homosexuality/heterosexuality. Concepts of sexual orientation. New York: Oxford University Press; 1990. p. 321-49. 10 Bailey JM, Pillard RC, Dawood K, Miller MB, Farrer LA, Trivedi S, et al. A family history study of male sexual orientation using three independent samples. Behav Genet 1999;29:79-86. 11 Williams TJ, Pepitone ME, Christensen SE, Cooke BM, Huberman AD, Breedlove NJ, et al. Finger-length ratios and sexual orientation. Nature 2000;404:455-6. 12 Gershon ES. Genetics. In: Goodwin FK, Jamison KR, editors. Manic-depressive illness. New York: Oxford University Press; 1990. p. 373-401. 13 Meyer IH. Minority stress and mental health in gay men. J Health Soc Behavior 1995;36:38-56. 14 Kite ME, Whitley BE. Do heterosexual women and men differ in their attitudes toward homosexuality? In: Herek GM, editor. Stigma and sexual orientation. Understanding prejudice against lesbians, gay men and bisexuals. Thousand Oaks, Ca.: Sage; 1998. p. 39-61. 15 Akker P van den, Halman L, Moor R de. Primary relations in west- ern societies. In: Ester P, Halman L, Moor R de, editors. The indi- vidualizing society. Value change in Europe and North America. Tilburg: Tilburg University Press; 1994. p. 97-127. Aanvaard op 24 september 2001 Ned Tijdschr Geneeskd 2002 7 september;146(36) 1691 Onder een spaakverwonding verstaan wij letsel aan voet, enkel of onderbeen dat het gevolg is van een beknelling van de voet tussen het frame van de fiets en de spaken van doorgaans het achterwiel (figuur 1). Kinderen vor- men de grootste groep slachtoffers van spaakongeval- len. 12 Geschat wordt dat 70-80% van de spaakongevallen bij kinderen te vermijden is. 1 Echter, spaakongevallen ko- men nog veelvuldig voor en zelfs in toenemende mate. 3 In 1984-1988 werden in Nederland jaarlijks gemiddeld 4500 slachtoffers van een beknelling in een fietswiel op een spoedeisendehulpafdeling behandeld. 1 In 1995-1996 waren dit gemiddeld 6800 slachtoffers. 2 Daarbij ging het vrijwel geheel om kinderen tot en met 14 jaar. Spaakongevallen kunnen betrekkelijk ernstige letsels veroorzaken. Er kunnen fracturen alsook complexe won- den met huidverlies van volledige dikte en diepere weke- delenbeschadigingen optreden. 4-10 De werkelijke ernst van spaakverwondingen wordt soms pas dagen tot weken na het letsel zichtbaar. 4 5 9 10 Gezien de relatief ernstige letsels en de daarmee gepaard gaande hersteltijd, die va- rieert van een aantal dagen tot en met een jaar, 5 7 10-13 kan men verwachten dat spaakongevallen bij kinderen aan- zienlijke functionele gevolgen kunnen hebben. Echter, de mate waarin een spaakongeval het functioneren van een kind beïnvloedt, is nog onvoldoende onderzocht. Het doel van dit onderzoek is het beschrijven van de toedracht van spaakongevallen bij kinderen, alsook het in kaart brengen van de functionele gezondheidstoe- stand en de kwaliteit van leven van kinderen na een spaakverwonding. Samenvatting: zie volgende bladzijde. Oorspronkelijke stukken Spaakverwondingen bij kinderen: toedracht en gevolgen l.m.sturms, c.k.van der sluis, h.snippe, j.w.groothoff, h.j.ten duis en w.h.eisma Academisch Ziekenhuis, Postbus 30.001, 9700 RB Groningen. Centrum voor Revalidatie: mw.L.M.Sturms, bewegingswetenschapper; mw.dr.C.K.van der Sluis en prof.dr.W.H.Eisma, revalidatieartsen (allen tevens: Rijksuniversiteit, Noordelijk Centrum voor Gezondheids- vraagstukken, Groningen). Afd. Heelkunde: prof.dr.H.J.ten Duis, chirurg-traumatoloog. Rijksuniversiteit, Groningen. Faculteit der Medische Wetenschappen: drs.H.Snippe, medisch student. Noordelijk Centrum voor Gezondheidsvraagstukken: prof.dr.J.W. Groothoff, Medisch socioloog. Correspondentieadres: mw.L.M.Sturms (l.m.sturms@rev.azg.nl).