Politiek bewustzijn en actie van mijnwerkers in Ghana Piet Konings* 1 Inleiding Het proces van klassevorming onder de Afrikaanse arbeiders in de grote buitenlandse bedrijven en staatsondernemingen die aan het industrialisatie- proces in Afrika ten Zuiden van de Sahara gestalte geven, is sedert het einde van de jaren zestig onderwerp geweest van een levendige discussie. Het start punt lag in de stellingname van Arrighi en Saul, die zich keerden tegen de analyses die deze arbeiders projecteerden in de rol van proletariaat, dat van uit een revolutionair klassebewustzijn leiding zou geven aan acties gericht te gen neokoloniale vormen van afhankelijkheid.1 Volgens hen (Arrighi en Saul) vormden met name de halfgeschoolde en geschoolde arbeiders in bovenge noemde ondernemingen een bevoorrechte categorie, een ’arbeidersaristo- cratie’, die, gescheiden van het lompenproletariaat en de peasantry, een steun pilaar was geworden van de neokoloniale orde. Arrighi en Sauls arbeidersaristocratie-these die een opvallende overeen komst vertoont met de fanonistische theorie en verschillende liberale econo mische theorieën,2 is door verschillende auteurs op empirische en theore tische gronden bestreden.3 Peace legt in zijn studie van verschillende catego rieën arbeiders in grote buitenlandse ondernemingen in Nigeria, nadruk op de nauwe banden die er bestaan tussen het arbeiderssegment als geheel en de arme lagen van de bevolking, en suggereert dat beide bevolkingsgroepen een ’populistisch bewustzijn’ delen. In de politieke actie zullen ze samen op trekken, zij het dat eerstgenoemden — op basis van een hoger onderwijsni veau en beter organisatievermogen — hierbij een leidersrol zullen vervullen.4 Volgens Jeffries zou een dergelijk ’populistisch bewustzijn’ — de definiëring van de sociaal-economische werkelijkheid in termen van een brede, maar va ge kloof tussen ’de armen’ aan de ene kant en de (uitbuitende en onderdruk kende ) ’rijken en machtigen’ (big men) aan de andere kant — ook het optre den kenmerken van de arbeiders in één van de grootste Ghanese staats ondernemingen, de spoorwegen.5. Sandbrook en Arn tonen de aanwezigheid van zulk een ’populistisch be- 209