Rehabilitatie bij chronische schizofrenie: wat voegt cognitieve–functietraining toe? Martin Appelo Frank Woonings Jan– Willem Louwerens Cees Slooff Robert van den Bosch Mark van der Gaag Samenvatting In dit artikel wordt de gecontroleerde eva- luatie van een klinisch rehabilitatieprogramma voor patie¨ nten met chronische schizofrenie beschreven. Het programma bevat modules waarin patie¨ nten wordt geleerd hun kwetsbaarheid te accepteren en te hanteren, en waarbij zowel basale als toepassingsvaardigheden worden aangeleerd. Tevens wordt gedurende het pro- gramma gezocht naar een woonsituatie en dagelijkse bezigheden buiten het ziekenhuis. Het programma wordt in twee condities aangeboden. Naast de standaardconditie wordt in e´e´n conditie cogni- tieve–functietraining toegevoegd aan het programma. De beide condities worden met elkaar vergeleken en met een traditioneel programma voor patie¨ nten met schi- zofrenie die op verblijfsafdelingen van psychiatrische zie- kenhuizen zijn opgenomen. Tot een jaar na afloop van het programma worden de effecten bepaald. Gemeten variabelen zijn symptomen, cognitief functioneren, coping, sociale vaardigheden, algemeen functioneren, woonsituatie, en dagelijkse activiteiten. De resultaten tonen significante verbeteringen op vrij- wel alle variabelen. De meeste patie¨ nten gaan met ontslag en vinden een structurele vorm van dagelijkse activiteiten buiten de kliniek. Toch kunnen de effecten niet worden toegeschreven aan het rehabilitatieprogramma, aange- zien de meeste verbeteringen ook worden gevonden bij de drop–outs en de patie¨nten in de controlegroep. Ook wordt er geen toegevoegde waarde voor de cognitieve– functietraining gevonden. Deze studie leidt tot een pleidooi voor de ontwikkeling van extramurale voorzieningen voor rehabilitatie van patie¨nten met schizofrenie. Een betekenisvolle context die een beroep doet op restcapaciteiten leidt waarschijn- lijk tot meer resultaat dan vaardigheidstraining in een ziekenhuisomgeving. Inleiding Schizofrenie kan niet worden genezen. Patie¨ nten moeten leren met de symptomen en de gevolgen daarvan om te gaan zodat langdurige opname en afhankelijkheid van hulpverleners kan worden voorkomen. Interventies en inspanningen op het gebied van revalidatie en rehabili- tatie krijgen daarom veel aandacht. Theoretisch vormt het kwetsbaarheid–stressmodel (Neuchterlein & Dawson, 1984) meestal de basis. Dit model verklaart onder meer waarom vaardigheidstrainin- gen vaak niet het gewenste effect opleveren. Aangenomen wordt dat cognitieve–functiestoornissen een pervasief karakter hebben en daarom het succes van trainingen belemmeren en verantwoordelijk zijn voor verstoringen van het dagelijks functioneren (Bellack, 1992 ; Green, 1996 ). De functiestoornissen lijken ook de snelheid waar- mee nieuwe vaardigheden worden geleerd en de respons op een vaardigheidstraining te beperken (Mueser et al., 1991 ; Bowen et al., 1994 ). Het kwetsbaarheidsmodel suggereert daarom dat rehabilitatie in de eerste plaats Martin Appelo, en, (*) M. APPELO is psycholoog en onderzoekscoo¨ rdinator bij de Stichting GGZ Groningen. F. WOONINGS is arts–assistent aan de Psychiatrische Universiteitskliniek, Groningen. J.W. LOUWERENS is psychiater, werkzaam bij de Dr. S. van Mesdagkliniek, Groningen. C. SLOOFF is psychiater, werkzaam aan het APZ Drenthe, Assen. R. VAN DEN BOSCH is hoogleraar psychiatrie aan de Psychiatrische Universiteitskliniek, Groningen. M. VAN DER GAAG is klinisch psycholoog, werkzaam aan het APZ Rosenburg, Den Haag. Correspondentie: dr. M.T. Appelo, Stichting GGZ Groningen, locatie Zuidlaren, E – 6, 9471 KA Zuidlaren. Dth (1997) 17:160–168 DOI 10.1007/BF03060184 13