_ 46 _ _ 47 _ F RANS J. V AN D ROOGENBROECK De markenruil Ename – Valenciennes en de investituur van de graaf van Vlaanderen in de mark Ename. Wanneer Boudewijn V van Vlaanderen (1035-1067) op de site van de burcht van Ename in 1063 een abdij opricht 1 en tegelijk overgaat tot de ontmanteling van het Lotharingse bolwerk, moet dit allicht de instem- ming van de belanghebbende partijen hebben meegedragen. Niet in het minst zijn daaronder de koningsvoogden te rekenen, die na de dood van keizer Hendrik III (†1056) de rijksbelangen behartigden in afwachting van de meerderjarigheid van de beruchte troonopvolger, Hendrik IV. De geschiedschrijving over de investituur van de graaf van Vlaanderen in de mark Ename verlangt in deze aangelegenheid weliswaar enige aanvulling, het baande tegelijk ook de weg om het gangbare historiografisch scenario op verscheidene premisses en deducties voor herziening vatbaar te verkla- ren. Aan de conflicten van het midden van de 11e eeuw ging een belangrijk pre- ludium vooraf dat voorziet in het aanvangspunt vanaf wanneer de graven van Vlaanderen deelgenoot mogen worden beschouwd aan de Lotharingse kwesties. Boudewijn IV (†1035) zou door de Duitse keizer het markgraaf- schap Valenciennes zijn toegewezen mits zich afzijdig te houden aan de strijd tussen de graven van Verdun en het Reiniersgeslacht, deze laatste ge- kend als graven van Bergen en Leuven. Hun wedijver om het hertogschap van Neder-Lotharingen culmineerde in de Slag van Florennes (12 septem- ber 1015), waar de belligerente Lambert I van Leuven de dood vond. Het hertogschap bleef daardoor dan wel in het Verdunse kamp, maar om niet eeuwig met rancuneuze verliezers opgezadeld te zitten, werd de Reiniers een gunstige huwelijksalliantie aangeboden. Die vond haar beslag in de echtverbintenis van Reinier V van Bergen (1013-ca.1039) met een dochter 1 GYSSELING en KOCH, Diplomata Belgica, 267-268.