588 ESB 94(4569) 2 oktober 2009 Loek Groot Universitair hoofddocent aan de Utrecht University School of Economics rubriek Koppelingsbeleid in crisistijd H et archimedische punt in het inkomens- gebouw in Nederland is het wettelijk minimumloon (wml), per 1 januari 2009 vastgesteld op bruto 1381,20 euro per maand voor een voltijdsbaan. Hoewel maar vijf procent van de werkenden daadwerkelijk tegen het minimumloon werkt, is het wml bepalend voor de inkomenspositie van miljoenen Nederlanders. Ten eerste komt dit omdat de uitkeringshoogte van grote groepen uitkeringsontvangers gekoppeld is aan het wml, bijvoorbeeld gehuwden of samenwonenden in de bijstand ontvangen samen honderd procent van het wml en alleenstaande ouders zeventig procent van het wml. Ten tweede komt dit omdat de, twee- jaarlijkse, aanpassing van de uitkeringen die van het wml volgt. De Wet koppeling met afwijkingsmogelijk- heid (WKA), opgenomen als artikel 14 in de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag (WML; Tweede Kamer, 1990-1991), is de opvolger van de oude WAM, Wet aanpassingsmechanismen (Tweede Kamer, 1979-1980). De WKA regelt de bruto kop- peling tussen minimumloon en de contractlonen, en de omstandigheden waarin de koppeling achterwege kan blijven. Als de contractlonen in de marktsector en bij de overheid stijgen, dan is de hoofdregel van de koppeling dat het wml met eenzelfde percen- tage wordt verhoogd. De maximumdaglonen van de uitkeringen WAO/WIA, WW en ZW worden doorgaans aangepast met hetzelfde percentage als waarmee het wml is verhoogd. Ook de Wajong-uitkeringen worden afgeleid van de minimumlonen. Al met al is voor meer dan vier miljoen uitkeringsontvangers, waaronder 2,5 miljoen AOW’ers, het wml en de kop- peling van invloed op hun bestedingsmogelijkheden. Daarnaast volgt de aanpassing van de bedragen van de kinderbijslag, relevant voor 1,9 miljoen gezinnen, vanaf 2004 die van het wml. Parallelle inkomensontwikkeling Bij onverkorte toepassing van de koppeling mag verwacht worden dat het bruto minimumloon mee- beweegt met de contractlonen. Blijkens figuur 1 is dat grosso modo het geval. In de jaren zeventig met hoge inflatie stegen de contractlonen gemiddeld met tien procent, terwijl de gemiddelde jaarlijkse stijging van het bruto minimumloon daar zelfs nog iets boven lag, met als uitschieter het tijdvak 1973–1976 waarin de stijging van het minimumloon jaarlijks gemiddeld drie procentpunt hoger was dan die van de contractlonen. In de jaren tachtig en de eerste helft van de jaren negentig stegen de contractlonen harder dan het bruto minimumloon. In 1984 werden het wml, de uitkeringen en de ambtenarensalarissen met drie procent verlaagd en de jaren daarna bevro- ren. Pas vanaf 1996 is er weer sprake van een echte koppeling. Het beeld dat uit figuur 1 oprijst is dat over de afgelopen veertig jaar sprake is geweest van een parallelle inkomensontwikkeling van werkenden en uitkeringsontvangers. Toch is dat maar ten dele het geval. Een bruto-bruto-koppeling, van bruto uitke- ringen aan het bruto wml die weer gekoppeld is aan de gemiddelde stijging van de bruto contractlonen, betekent namelijk niet dat er ook automatisch sprake is van een parallelle inkomensontwikkeling in netto termen (Vording, 1991). Door allerlei wijzigingen in tegemoetkomingen aan en toeslagen voor uitkering- ontvangers kan wat netto van een bruto uitkering overblijft veranderen. Ook kan door aanpassingen van de inkomstenbelastingpremies en -tarieven en door wijzigingen van de heffingskortingen de netto inkomensontwikkeling van loontrekkenden afwijken van de inkomstenontwikkeling van uitkeringontvan- gers. Voor sommige uitkeringen, zoals de AOW, is er daarom een netto-netto-koppeling, zodat het netto inkomen in de pas blijft met het netto minimumloon (Van Dalen, 1998; SZW, 2009). Maar zelfs bij een volledige netto-netto-koppeling tussen de uitkerin- gen en het minimumloon zal bij de koppelingssy- stematiek van de WKA toch het netto inkomen van de uitkeringsontvangers structureel achterblijven bij dat van de loontrekkenden. Dat komt omdat er bovenop de stijging van de contractlonen, relevant voor de koppeling, ook nog incidentele loonstijgin- gen zijn. Deze incidentele loonstijgingen werken wel door in het gemiddelde bruto en netto inkomen van de loontrekkenden, maar niet in die van de uitke- ringsontvangers, omdat de koppeling de incidentele loonstijgingen buiten beschouwing laat. Over de hele periode 1970–2009 was die gemiddeld een procent per jaar. Om de gedachten te bepalen: bij een gemiddelde jaarlijkse stijging van de contractlonen met drie procent en een incidentele loonstijging van jaarlijks een procent stijgen de uitkeringen over een periode van veertig jaar met een ononderbroken kop- Het wettelijk minimumloon is in combinatie met de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid bepalend voor de inkomens van miljoenen huishoudens. In de afgelopen veertig jaar is in tijden van recessie veelal ontkoppeld van de contractlonen. De huidige crisis brengt ontkoppeling dichterbij, maar er zijn goede redenen om aan de koppeling te blijven vasthouden.