303 12 Tussen hond en mens J. van Dijk en J.T. Zeiler 12.1 Inleiding Tijdens de verschillende opgravingen in het plangebied van de AWZI in de Harnaschpolder zijn, vergelijkbaar met vele andere opgravingen, losse botten maar ook partiële of complete skeletten van honden gevonden. 1 De skeletten krijgen vaak wel aandacht maar bij de losse botten wordt veelal volstaan met een korte beschrijving en het aangeven van de functie van de hond als waak- of herdershond (meestal zonder verdere argumentatie). Andere functies voor honden en de redenen waarom sommige honden worden begraven en andere niet, komen weinig ter sprake. Het feit dat honden niet tot de achtergrondfauna van een gebied horen en in de regel ook niet tot de categorie ‘eetbare diersoorten’ worden gerekend, speelt daarbij een belangrijke rol. Honden lijken daardoor een soort ‘restcategorie’ te worden. Uit historische bronnen is duidelijk dat in het verleden honden voor talloze taken zijn ingezet. De dieren konden tijdens hun leven diverse functies hebben, maar ook na hun dood werd nog van ze gebruik gemaakt. Sommige functies zijn te herleiden met behulp van de botten. Zo duiden bepaalde botvergroeiingen op het gebruik als trekdier en impliceren snijsporen dat de dieren zijn gevild of gegeten. Het formaat van de honden is eveneens een aanwijzing. Harcourt heeft echter al geconcludeerd dat het vergelijken van de schofthoogte van pre- en protohistorische honden met hedendaagse rassen leidt tot aannames over het uiterlijk en de functie van die honden die niet zijn te bewijzen. 2 In dit artikel is derhalve gekozen om vanuit de historische en archeologische bronnen inzicht te geven in de mogelijke functies van honden. Daartoe wordt allereerst aan de hand van de bestaande literatuur een overzicht gegeven van de functies die honden kunnen hebben. Tegen deze achtergrond worden vervolgens de vondsten van honden uit de Harnaschpolder en enkele andere Nederlandse vindplaatsen besproken, waarbij de vraag centraal staat of de in de literatuur genoemde functies archeologisch aantoonbaar zijn. Het doel is derhalve te onderzoeken in hoeverre de historische indeling in functies toepasbaar is op het archeologische materiaal en welke kenmerken en criteria daarbij van belang zijn. Uiteindelijk zou de vraag ook andersom gesteld kunnen worden: kan de determinatie van het archeologisch materiaal ook de functie van de honden achterhalen? 12.2 (Historische) functies van honden In de literatuur wordt onderscheid gemaakt in profane en niet-profane functies van honden. Bij profane functies is sprake van een gerichte selectie door de mens op specifieke fysieke eigenschappen van de hond. De hond staat daarbij duidelijk ten dienste van de mens, zoals bijvoorbeeld jacht- en waakhonden, maar ook schoothondjes. Bij de niet-profane functies is een dergelijke gerichte selectie niet aan de orde. De hond wordt gebruikt bij symbolische handelingen, bijvoorbeeld als offerdier of bijgift. De scheiding tussen profaan en niet-profaan is echter niet absoluut. Er kan altijd wel een relatie zijn met de profane functie die een hond heeft gehad: een combinatie van beide is mogelijk. Binnen de profane functies kan een indeling gemaakt worden in een aantal hoofdcategorieën (met daarbinnen soms een onderverdeling), vaak te koppelen aan de fysieke eigenschappen van de honden. Zo zijn er jachthonden, 1 In de Neolithische nederzetting: Louwe Kooijmans & Jongste 2006; op de twee Romeinse nederzettingen, Goossens & Flamman 2006. 2 Harcourt 1974.