Georges Martyn Naar het museum met een jurist als gids. Recht in de kunst in Gent (2). De dorpsadvocaat van Pieter Brueghel de Jonge in Strop & Toga, IV, 2013, nr. 16, p. 12-17. Orde van Advocaten – Balie Gent [p. 12] De gehekelde jurist 1 Advocaten en magistraten oefenen een beroep uit waarvan de uitbeelding in prenten en beelden de meest uiteenlopende vomen aanneemt, van decoratieve ophemeling tot bittere spot. Wanneer de schilderkunst in de Nederlanden van de late middeleeuwen zich geleidelijk ‘emancipeert’ uit de kerkelijke context zijn, na de vorsten en de edellieden, de juristen de eersten die zich in vol ornaat laten portretteren. Universitair opgeleide juristen spelen in de zich ontwikkelende staat dan ook belangrijke rollen. Bijna even oud als het beroep zelf, is echter ook de totaal andere kijk op de mensen van het recht. In liederen en proza wordt de advocaat al in de middeleeuwen als een geldhongerig roofdier voorgesteld. In de vroegmoderne periode vinden we ook in de schilder- en graveerkunst satire en spot over de jurist. In het Gentse Museum voor Schone Kunsten (inventarisnr. 1952-G) hangt hiervan een van Europa’s best bekende voorbeelden (ill. 1). Het is een paneel van Pieter Brueghel de Jonge (1564 - 1638), dat door de artiest werd gesigneerd en gedateerd in 1621. Het meet ongeveer 77 bij 124 cm. Onder kunstliefhebbers is het bekend onder de titel ‘Dorpsadvocaat’ of ‘Advocaat van moeilijke zaken’. De website van de Vlaamse Kunstcollectie (www.vlaamsekunstcollectie.be) vertelt erover: ‘Dit schilderij is een interessant historisch document. In het 17de-eeuwse Brabant bemoeit de overheid zich steeds meer met de rechtspleging. Daardoor wordt de advocaat op het platteland een belangrijke vertrouwenspersoon. De betaling gebeurt, zoals wij hier zien, vaak in natura. In dit werk toont Pieter Brueghel de Jonge zich een satirische kunstenaar, een geamuseerde observator van menselijke relaties en maatschappelijke toestanden. Hij stelt de advocaat voor als een sluwe en hebzuchtige man die de naïeve boeren met massa’s papier overbluft.’ Het is in de zestiende eeuw dat advocaten en procureurs een explosieve groei kennen in de Nederlanden (niet enkel in het hertogdom Brabant dus, waar Brueghel werkzaam is) en het verrast dan ook niet dat in het eerste kwart van de zeventiende eeuw dit soort kritieken 1 Dit artikel is een meer uitgewerkte versie van G. MARTYN, “Waarom de dorpsadvocaat van Brueghel eigenlijk een stadsprocureur is” in G. MARTYN, G. DONKER, S. FABER en D. HEIRBAUT (eds.), Geschiedenis van de advocatuur in de Lage Landen, bijzonder nummer van Pro Memorie. Bijdragen tot de rechtsgeschiedenis der Nederlanden 2009, 111-114. Voor huidig artikel werd verder gebruik gemaakt van A. EICHLER, E. FUSSWINKEL en N. LÖFFLER (eds.), Spott und Respekt – die Justiz in der Kritik, Petersberg, 2010; K. ERTZ, Pieter Breughel de Jonge 1564-1637/8, Jan Brueghel de Oude 1568-1625: een Vlaamse schildersfamilie rond 1600, Lingen, 1998; IDEM, Pieter Brueghel der Jüngere (1564-1637/38): die Gemälde mit kritischem Oeuvrekatalog, 2 dln., Lingen, 1988-2000; R. JACOB, Images de la justice, Parijs, 1996; I. KRÜGER, “ “… nimbt Gelt, Butter, Hüner, Endten …” Zu Darstellungen des Bauernadvokaten von Pieter Brueghel d. J. und anderen”, Das Rheinische Landesmuseum Bonn. Berichte aus der Arbeit des Museums 1995, afl. 3, 78-84; H. LIERMAN, Richter, Schreiber, Advokaten, München, 1957; N. PEETERS, “Family matters: an integrated biography of Pieter Breughel II”, Belgisch Tijdschrift voor Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis 2008, 45-74; P. VAN DEN BRINK (ed.), De firma Brueghel, Gent, 2001.