Tussen bondgenootschap en ‘deskundologie’ Verkenning van uitgangspunten voor methodiekontwikkeling in de (sociaal) psychiatrische verpleegkunde Gert Schout* In hun onderzoek naar het beroep van sociaal psychiatrisch verpleegkundige (spv) komen Van Hoof en Wolf tot de conclusie ‘dat spv-en het gevoel hebben te weinig “methodisch houvast” in hun werk te hebben en er wellicht ook te veel alleen voor staan. Zo moet misschien ook de grote behoefte aan meer psychotherapeutische kennis opgevat worden als een wens meer greep te krijgen op het eigen werk en met name op het verloop van de gesprekken met cliënten’ (Van Hoof en Wolf, 1995, pag. 118). Spv-en maar ook psychiatrisch verpleegkundigen (pv-en) nemen in hun werk elementen over uit allerlei theoretische kaders en leggen daarbij ook hun eigen accenten (Schout, 1996). Hun multimethodische werkwijze sluit in de praktijk vaak goed aan bij de problematiek van hun cliënten, die meestal meervoudig en diffuus is en zich niet goed laat beperken tot een bepaald behandelingsmodel (Henkelman en Van Mens-Verhulst, 1996). Bij een multimethodische werkwijze dreigt echter conceptuele verwarring en een gebrek aan houvast, onder andere als gevolg van het onvoorspelbare karakter van verpleging in de GGZ. In een studie over psychiatrisch verpleegkundigen merken Borgesius e.a. (1988) op dat hun werk gekenmerkt wordt door de noodzaak om telkens in te schatten hoeveel aandacht, zorg en begeleiding een patiënt nodig heeft. ‘Dit betekent dat met name als het gaat om direct patiëntgebonden taken het werk weinig routinematig is en veelal onvoorspelbaar’ (Borgesius e.a., 1988, pag. 186). Dat wordt de laatste jaren alleen maar sterker, nu de regering ervoor kiest ook psychiatrische patiënten meer naar eigen wensen en capaciteiten deel te laten nemen aan de samenleving. Om dit mogelijk te maken dient de GGZ een ambulant hulpaanbod te ontwikkelen voor mensen die beschouwd worden als langdurig zorgafhankelijk. Dit brengt een accentverschuiving met zich mee van behandeling naar zorgverlening en coördinatie van verschillende vormen van hulpverlening (Van de Beek, 1991). Waar verpleegkundigen in hun theoretische oriëntatie traditioneel zwaar leunen op het medisch model worden nu meer methodische eisen gesteld op het gebied van sociale interventies als casemanagement, buurtgericht werken, materiële hulpverlening, netwerkontwikkeling. Samengevat: het gebrek aan methodisch houvast kan verklaard worden uit de onvoorspelbaarheid van het werk zelf, uit conceptuele verwarring als gevolg van een gevarieerd theoretisch oriëntatiekader en uit een verandering van methodische eisen, die samenhangt met een accentverschuiving van genezing naar integratie. De vraag die in dit artikel centraal staat, is op welke wijze het gebrek aan methodisch houvast kan worden teruggedrongen. Daarvoor wordt eerst ingegaan op de vraag welke pogingen eerder gedaan zijn om methodisch houvast te bieden, welke theorieën * G. Schout (1959), is als docent verbonden aan de Hanzehogeschool Groningen. Verder is hij betrokken bij een onderzoek naar methodieken in de (sociaal) psychiatrische verpleegkunde, een samenwerking tussen het Andragogisch Institut van de Rijksuniversiteit Groningen, de sectie verplegingswetenschap van de Rijksuniversiteit Utrecht en de Hanzehogeschool Groningen. Eerder publiceerde hij over verpleegkundige diagnostiek in verschillende vakbladen. Adres: Breitnerstraat 41, 9718 ML Groningen. 1222 MGv 53, 12, 1998, p. 1222-1232