Teksten Filosofie Scheurkalender 2010, Compleet 1 ‘De hemel mag weten wat voor baarlijke nonsens morgen niet bewezen waarheid mag zijn’ ‘Heaven knows what seeming nonsense may not tomorrow be demonstrated truth’ (Alfred North Whitehead, Science and the Modern World, 1925) Het wellicht meest fundamentele methodische beginsel van de moderne wetenschap luidt dat een theorie gebaseerd moet zijn op ervaringsfeiten, dat wil zeggen op de empirie. Alleen de ervaring is voor de wetenschap een legitieme bron van kennis, loutere speculatie is uit den boze. Nu gaat het bij hedendaagse wetenschappelijke theorieën zoals de quatummechanica en de moleculaire genetica echter allang niet meer om de alledaagse ervaring zoals ze door de zintuigen kan worden opgedaan, maar om empirisch materiaal dat verkregen wordt via vaak hele complexe instrumenten waarin doorgaans al een heleboel theorie zit verwerkt. Gaston Bachelard karakteriseerde wetenschappelijke instrumenten dan ook als ‘gematerialiseerde theorieën’. Onze zintuigen zijn een zeer onbetrouwbare bron van kennis gebleken en hun rol in de wetenschap is dan ook steeds meer beperkt tot het aflezen van de gevisualiseerde output van geavanceerde meetinstrumenten. Het begrip dat de wetenschap heeft van de natuur verwijdert zich ook steeds meer van onze alledaagse ervaring ervan. Hoewel bijvoorbeeld de huidige quantumtheorie volledig in overeenstemming is met de empirie druist ze volledig in tegen onze alledaagse ervaring van de dingen. Voor die alledaagse ervaring is het immers ‘baarlijke nonsens’ dat dingen op twee plaatsen tegelijk kunnen zijn, dat ze zowel een golf als een deeltje kunnen zijn en dat ze bovendien zomaar uit het niets kunnen verschijnen of daarin verdwijnen. Deze nonsens blijkt echter de ‘waarheid’ te zijn. Dat wil zeggen: tot nader order. 2 ‘Speculaties over ogenschijnlijk volslagen nutteloze zaken hebben vrijwel zonder uitzondering toepassingen van het allergrootste praktische belang opgeleverd’ (John Herschel, A preliminary discourse on the study of natural philosophy, 1831) Wetenschappers moeten tegenwoordig vrijwel zonder uitzondering kunnen aantonen dat het onderzoek wat zijn doen ‘maatschappelijk relevant’ is, dat wil zeggen op de een of andere wijze nuttig of belangrijk is voor de samenleving of de economie (vooral dat laatste wordt steeds belangrijker gevonden in onze zogeheten ‘kenniseconomie’). Onderzoeksvoorstellen worden steevast beoordeeld op het mogelijke praktische belang dat zij kunnen hebben en er is steeds minder ruimte en geld voor onderzoek – en zelfs voor hele disciplines - die geen aantoonbaar nut hebben voor de samenleving. De naïeve veronderstelling hierbij is dat het ‘nut’ van wetenschappelijk onderzoek bij voorbaat vastgesteld kan worden. De geschiedenis leert echter dat het niet zelden de meest nutteloze en belangeloze speculaties zijn geweest die, later, tot uiterst nuttige toepassingen hebben geleid. Het meest eminente voorbeeld hiervan, zoals Anthony Gottlieb opmerkt in zijn boek De Droom der Rede, is wellicht de formele logica zoals ze is ontwikkeld door Aristoteles, in de vierde eeuw voor Christus. Het is deze logica, vervolledigd en verfijnd in de negentiende eeuw door de Britse logicus George Boole, op basis waarvan onze huidige computers – onmisbaar voor de hedendaagse kapitalistische economie – functioneren.