12 NOVEMBER 2008 - DE JURISTENKRANT | 15
F ORUM F ORUM
Is een woonverbod voor pedofielen wel nodig?
Begin vorige maand werd het Limburgse Hechtel opgeschrikt door de
terugkomst van een veroordeeld seksueel delinquent. Na het uitzitten van
zijn straf kwam de man zich opnieuw vestigen in de gemeenschap waar hij
twintig jaar geleden tientallen slachtoffers had gemaakt. De onrust bij de
slachtoffers en hun familieleden, en buurtbewoners, kon onmiddellijk op
de empathie van een aantal politici rekenen. Renaat Landuyt (sp.a) nam het
voortouw en verklaarde in De Standaard van 9 oktober 2008 pedofielen
levenslang te willen verbieden in de gemeente van hun slachtoffer te gaan
wonen. Amper dertien dagen later is het wetsvoorstel een feit. In tegenstel-
ling tot wat in de media kwam, pleit het wetsvoorstel niet voor een levens-
lang woonverbod, maar voor een ontzetting voor een periode tussen één en
twintig jaar, die meer dan enkel ‘wonen’ betreft. Wendy De Bondt, Bjorn
Ketels en Gert Vermeulen van de UGent gaan kort in op de ruimere context
waarin dit wetsvoorstel gelezen moet worden, en formuleren een aantal
juridisch-technische bedenkingen.
Wendy De Bondt
Bjorn Ketels
Gert Vermeulen
I
n onze maatschappij staat de zorg
voor slachtoffers van seksuele de-
linquenten hoog op de politieke
agenda. Hoewel België in het verleden
meermaals het initiatief heeft genomen, is
het niet altijd een even goede student geble-
ken. Zo wordt er al jaren tevergeefs geijverd
voor de ratificatie van het Raad van Europa-
verdrag over de internationale geldigheid
van strafvonnissen (1970) opdat we pijnlijke
situaties als de zaak-Fourniret in de toe-
komst zouden kunnen voorkomen. In een
bredere internationale context lijkt dit voor-
stel dan ook een wat vreemde eend in de bijt
en laat het een aantal andere prioriteiten,
zoals de wederzijdse erkenning van ontzet-
tingen en diskwalificaties en het in aanmer-
king nemen van eerdere buitenlandse ver-
oordelingen in het kader van de herhaling,
ten onrechte achter zich.
Los van de overwegingen van strafrechte-
lijk beleid, dringen zich ook een aantal juri-
disch-technische bedenkingen op, zowel
met betrekking tot het toepassingsgebied
als de mogelijke aanpassing van het woon-
verbod aan veranderde omstandigheden.
TOEPASSINGSGEBIED
Het materieel toepassingsgebied van het
woonverbod is tegelijk erg ruim en erg be-
perkt. Enerzijds is de keuze voor de term
‘pedofiel’ in de samenvatting van het wets-
voorstel, op zijn minst ongelukkig. Het is
niet alleen correcter te spreken over ‘pedo-
seksuele misdrijfplegers’, maar zoals het
voorstel momenteel geformuleerd is, heeft
het bovendien een veel ruimere scope. Door
het woonverbod toe te voegen aan het lijstje
van ontzettingen in artikel 382bis Sw.,
wordt het toepasbaar op de misdrijven ver-
meld in de artikelen 372 tot 377, 379 tot
380ter, 381 en 383 tot 387 Sw., gepleegd op
de persoon van een minderjarige of met
zijn deelneming. Anders dan de samenvat-
ting doet vermoeden omvat het nagenoeg
alle misdrijven uit de hoofdstukken ‘aan-
randing op de eerbaarheid en verkrach-
voordeel van het woonverbod kan genie-
ten. Op die manier wordt het slachtoffer
indirect verplicht in dezelfde omgeving te
blijven wonen.
Meer fundamenteel in dit verhaal is de
vraag of er überhaupt nood is aan een nieuw
wettelijk kader en of het bestaande kader
met andere woorden niet kan volstaan. Een
slachtoffer kan desgevallend toch beroep
doen op de figuur van de belaging uit arti-
kel 442bis Sw. (‘Hij die een persoon heeft
belaagd, terwijl hij wist of had moeten we-
ten dat hij door zijn gedrag de rust van die
persoon ernstig zou verstoren, wordt ge-
straft…’). Zo kan de rechter rekening hou-
den met de concrete omstandigheden van
de zaak, zonder gebonden te zijn aan een
gemeentelijke afbakening. Daarenboven
kan de bescherming van het slachtoffer op
deze manier gelden onafhankelijk van het
soort misdrijf.
De bezorgdheid voor het welzijn van slacht-
offers van seksuele misdrijven is volstrekt
legitiem. Naar onze mening vereist deze ge-
voelige materie echter een doordachte en
coherente aanpak, eerder dan ad hoc wet-
gevend werk.
ting’, ‘bederf van de jeugd en prostitutie’ en
‘openbare schennis van de goede zeden’.
Anderzijds rijst de vraag of meerderjarige
slachtoffers van deze misdrijven, en meer
algemeen ook slachtoffers van andere straf-
bare feiten (bijvoorbeeld zware slagen en
verwondingen) zich dan niet met dezelfde
legitimiteit zouden moeten kunnen verzet-
ten tegen de vestiging van een dader in hun
woonomgeving. Kan een dergelijke afbake-
ning van het toepassingsgebied met andere
woorden wel worden verantwoord?
Gelet op de concrete draagwijdte van de be-
oogde ontzetting, is de term woonverbod
misleidend. Aangezien ook het verblijven
en het zich vertonen in de tekst opgenomen
worden, gaat het verbod immers veel verder
dan dat. Strikt genomen verhindert het ook
de aangeduide gemeente met de wagen te
doorkruisen, er naar het ziekenhuis ge-
bracht te worden en er zelfs overleden fa-
milieleden op de lokale begraafplaats te
bezoeken.
Bovendien doet ook het ruimtelijk toepas-
singsgebied van het woonverbod wenk-
brauwen fronsen. De keuze voor een afba-
kening op het niveau van de gemeente kan
niet geheel zonder kritiek blijven. Voor-
eerst omdat die keuze geen rekening houdt
met de variabele grootte van de gebieden.
Een verbod om te wonen, te verblijven of
zich te vertonen in een stad als Brussel, lijkt
des Guten zuviel. Een systeem van wijken
en/of straten was wellicht beter geweest.
Daarnaast is het aantal gemeenten dat de
rechter kan aanduiden niet gelimiteerd.
Op die manier wordt de rechter een wel erg
grote beoordelingsruimte gelaten om de
territoriale afbakening aan te passen aan
de concrete omstandigheden van de zaak.
VERANDERDE OMSTANDIGHEDEN
De rechter kan de ontzetting opleggen voor
een periode tussen één en twintig jaar, met
dien verstande dat ze aangepast kan wor-
den aan ‘veranderde omstandigheden’.
Ter zake laat het wetsvoorstel evenwel en-
kel toe de duur van de ontzetting te verla-
gen. Het zwijgt in alle talen over een even-
tuele aanpassing van het ruimtelijk
toepassingsgebied. Concreet lijkt dit te be-
tekenen dat een slachtoffer dat in een an-
dere gemeente gaat wonen, niet langer het
(De auteurs zijn verbonden aan het Institute for In-
ternational Research on Criminal Policy aan de
UGent)
Wetsvoorstel wat het woonverbod voor veroordeel-
den voor bepaalde zedenfeiten betreft, 22 oktober
2008, DOC 52 1509/001
Pleitbezorgers
In nr. 176 van De Juristenkrant staat in de
rubriek ‘Kort’ op p.8 onder de titel ‘Over-
name rechtsvorderingen’ dat de advocaten
alle taken van de pleitbezorgers hebben
overgenomen.
Ik betwist dat ten stelligste en kan u
verzekeren dat ook de griffie(r)s een
aanzienlijk deel van deze taken hebben
geërfd. De meeste advocaten en griffiers
zijn nu zelf nog te jong om te weten hoe het
er toen aan toe ging. Misschien was het wel
beter dan nu, er was alleszins niet zo veel
achterstand.
August Crabbe, griffier
LEZERSBRIEVEN
Een slachtoffer kan beroep doen
op de figuur van de belaging.
Strikt genomen verhindert het wetsvoorstel van Renaat Landuyt (foto) de aangeduide gemeente met de wagen
te doorkruisen, er naar het ziekenhuis gebracht te worden en er zelfs overleden familieleden op de lokale
begraafplaats te bezoeken.
© Belga