36 Krisis 2007 | 4 Chunglin Kwa Onderzoek aan de universiteiten Een geschiedenis van de academische autonomie Er is een moment in de geschiedenis geweest dat de universiteiten hebben moeten vrezen voor hun voortbestaan als instituut. In Frankrijk hief de Nationale Conventie in 1793 alle tweeëntwintig universiteiten op, waaronder de Sorbonne, een van de drie oudste universiteiten in Europa, en de eveneens eerbiedwaardige, uit 1306 daterende, universiteit van Orléans. Vier jaar later sloten de Fransen, inmiddels heer en meester in een groot deel van Europa, de universiteit van Leuven (1425) in de voormalig Oostenrijkse Nederlanden. In 1798 volgde Keulen (1388) en vervolgens meer dan tien andere Duitse universiteiten. 1 Napoleon maakte wat later een deel van de onderwijs- hervormingen van de Franse Revolutie ongedaan, maar hij hief in 1811 nog wel de uni- versiteiten van Franeker en Harderwijk op. Er waren goede redenen om de universiteiten hard aan te pakken. Uitzonderingen daargelaten was de opkomst van de experimentele wetenschappen in de zestiende en zeventiende eeuw aan ze voorbijgegaan, evenals de hervormingsidealen van de Verlichting. Vele universiteiten waren bolwerken van het Ancien Régime, diverse stonden onder kerkelijke controle. De Revolutie had dus alle reden de universiteiten te zien als relicten uit de middeleeuwen. Het zou zwaar overdreven zijn om te stellen dat de universiteiten nu opnieuw voor hun leven moeten vrezen. Het aanstaande duizendjarig bestaan van de univer- siteit van Bologna (in 2088) kan met vertrouwen tegemoet worden gezien en in de eeu- wen daarna zullen er nog vele vieringen volgen. Niettemin verkeren de universiteiten in een soort permanente crisis, waaraan het meest opmerkelijke is dat ze nu al zo lang duurt en gestaag in intensiteit toeneemt. Het begon in 1980, toen de kersverse premier van Groot-Brittannië, Margaret Thatcher, de overheidsfinanciering van de Britse uni- versiteiten met elf procent terugbracht. In een meestal trager tempo namen de overi- ge westerse landen deze maatregelen over. Via geoormerkte programma’s hebben veel universiteiten weer heel wat van het verloren geld kunnen terugploegen. Feit is ech- ter dat de vrij beschikbare onderzoeksruimte, in Nederland ‘eerste geldstroom’ genoemd, in omvang overal is gedaald en nog steeds onder druk staat. 2 De vorige minister van onderwijs, Maria van der Hoeven, verwonderde zich in mei 2006 over het gegeven dat universitaire medewerkers publieke middelen aanwenden om naar eigen inzicht onderzoek te verrichten. Voor beleidsmakers is onduidelijk wat de toegevoeg- de waarde daarvan is. En, zo zei de minister, zolang de universiteiten niet helderder aangeven wat ze met de eerste geldstroom doen, zullen ze geen cent extra krijgen. Van der Hoeven was zich blijkbaar niet bewust van het bestaan van ‘academische vrij- heid’. 3 05_Kwa.qxd:05_Kwa 30-01-2008 10:57 Pagina 36