Een eenduidig pad van modernisering van het handelsverkeer: Van het liberale Brugge naar het gereguleerde Antwerpen? Jeroen Puttevils, Peter Stabel & Botho Verbist De titel van deze bijdrage klinkt allicht wat vreemd: in oudere, sterk door liberale denkers zoals Henri Pirenne beïnvloede analyses van de verschuiving van het commerciële zwaar- tepunt van Brugge naar Antwerpen in de vijſtiende en zestiende eeuw wordt de Schelde- stad immers haast standaard voorgesteld als een “liberale” vrijhaven waar de handel veel minder dan in het Vlaamse Brugge gecontroleerd (of zelfs belemmerd) werd door allerlei publieke en semipublieke corporatistisch georganiseerde actoren, van makelaars tot koop- mansgilden en ambachten. Het was het succesverhaal van de voortschrijdende moder- niteit. De voorbije decennia hebben evenwel duidelijk gemaakt dat dat beeld drastisch moet worden bijgesteld. Terwijl Sheilagh Ogilvie, de bekende historica van corporatieve organisaties, recent nog de klassieke verhaallijn van corporatistische belemmeringen van onder meer de in Brugge actieve koopliedengilden sterk in de verf heeſt gezet en ook de overige literatuur vooral over koopliedengilden eveneens uitgaat van de kostenverhogende aspecten van associatieve structuren, hebben recente overzichten van de werking van de Brugse en Antwerpse markt, en heel recent nog de vergelijkende studie van Oscar Gelder- blom over de institutionele omkadering van de internationale handel in Brugge, Antwer- pen en Amsterdam, vooral gewezen op continuïteiten, waarbij de eerder als opmerkelijk omschreven verschillen tussen beide internationale markten vooral worden genuanceerd. Zo aarzelde de Amerikaanse historicus James Murray niet om Brugge een wieg van het kapitalisme te noemen of werd Antwerpen in één adem met voorloper Brugge en opvolger Amsterdam omschreven als centra van adaptive efficiency door Gelderblom. 1 Tot de grote verschilpunten van de institutionele organisatie van de twee handels- steden, waar onderzoekers in het verleden steeds weer op hebben gewezen, behoorden steevast het belang van koopliedengilden in de Brugse organisatie van de internationale handel (de zogenaamde “naties” van Florentijnen, Venetianen, Genuezen, Castilianen, Catalanen, Biskajers, Portugezen, Engelsen enzovoort, en uiteraard het schoolvoorbeeld van een koopliedengilde het Brugse “Kontor” van de Duitse Hanze) en misschien wel vooral de verplichte aanwezigheid in Brugge van lokale makelaars in alle transacties van en met buitenlandse kooplieden. Hier was toch wel het ultieme bewijs van de corporatistisch georganiseerde Brugse markt die, waar mogelijk, handelswinsten institutioneel afroomde ten voordele van een voor de rest passief blijvende financiële en commerciële elite in de stad. De ‘vrije’ ondernemingsgeest die de Brugse kooplieden (en bij uitbreiding de hande- laars van andere grote steden in het graafschap Vlaanderen en in de rest van de Zuidelijke Overheid en economie.indd 39 18/08/14 20:06