46 Mesolithische pijlbewapening Het Mesolithicum wordt algemeen beschouwd als een periode waarin laatpaleolithische jager- verzamelaars zich aanpasten aan de verande- rende ecologische omstandigheden die de over- gang van het Pleistoceen naar het Holoceen markeren. Eén van de meest zichtbare veran- deringen (en één van de definiërende kenmer- ken van mesolithische assemblages) is de ge- ringe grootte van de vuurstenen artefacten in vergelijking tot de voorgaande laatpaleolithi- sche tradities. Eén van de mogelijke oorzaken van deze microlithisatie is de verdichting van de vegetatie waardoor grotere stukken vuur- steen van goede kwaliteit moeilijker waren te vinden dan tijdens het Laat-Glaciaal (Fischer, 1990; zie ook de bijdrage van Niekus & Stapert in Paleo-Aktueel 5, 1994). Behalve de grootte is ook de vorm van projectielelementen aan ver- andering onderhevig. Sommige spitstypen wa- ren al tijdens het Laat-Paleolithicum aanwezig (vnl. B-spitsen, trapezoïdale spitsen en drie- hoeken) terwijl andere typen zoals C-spitsen, segmenten, naaldvormige spitsen en ‘klassieke’ trapezia in de loop van het Mesolithicum in zwang raakten. De continue introductie van nieuwe vormen houdt vermoedelijk verband met technische verbeteringen van het jachtgereedschap (Fi- scher, 1990). In de loop van het Mesolithicum lijkt de nadruk geleidelijk te verschuiven van enkelvoudige pijlen, met een vuurstenen spits aan de top, naar samengestelde wapens met inzetstukken langs de zijkanten (slotted points) waardoor lange, snijdende zijden ontstonden. In een latere fase van het Mesolithicum (en het daaropvolgende Neolithicum) lijkt er weer een voorkeur te zijn voor enkelvoudige pijlen (trapezia en later transversale spitsen), die grote bloedende wonden konden veroorzaken. Of bepaalde projectieltypen gerelateerd zijn aan verschillende soorten bogen, jachtwild of etnische groepen is niet duidelijk. In dit artikel besteden we aandacht aan een van de meest karakteristieke geometrisch gevormde projectielen, namelijk de driehoe- ken. Een van de belangrijkste redenen om hier aandacht aan te besteden is het feit dat de laatste jaren steeds vaker mini-vormen van driehoeken worden herkend, een aspect van vergaande microlithisatie waaraan in de Ne- derlandse literatuur nog maar weinig aandacht is geschonken. 1 Hoe klein is klein? Driehoeken kunnen we algemeen omschrijven als geometrisch gevormde microlieten waar- van de twee kortere zijden/schuine afknot- tingen geheel geretoucheerd zijn en die op het punt van samenkomst meestal een stompe hoek vormen. Wanneer de twee korte geretou- cheerde zijden ongeveer even lang zijn (met een afwijking van maximaal 10%) spreken we van gelijkbenige driehoeken, anders van onge- lijkbenige driehoeken. Bij de driehoeken wordt meestal nog een onderscheid gemaakt tussen korte en lange (lengte minimaal vier keer de breedte) exemplaren. Driehoekig steilgere- Wie het kleine niet eert… Micro-driehoeken in het Mesolithicum van Noord-Nederland M.J.L.Th. Niekus & B.I. Smit