5| 2013 4 Openingsessay De wetenschap als maat van alle dingen Wat is sciëntisme en waarom is het debat erover relevant? Openingsessay Rik Peels O p 29 oktober 2009 is de bestsellerauteur Kluun te gast bij Pauw & Witteman. Hij heeft dan net een nieuw boekje gepubliceerd: God is gek. De dictatuur van het atheïsme. Al snel gaat het over God en ontspint zich het volgende gesprek: Witteman: Met andere woorden: Is het niet aan degenen die zeggen ‘God bestaat’, om dat te bewijzen? Kluun: Maar, ik vind, als je het hebt over bewijslast (…) er is geen enkele wetenschapper die zegt: ‘Ik weet het zeker, het is bewezen, God, of leven na de dood bestaat niet’. Dus, (…) waarom zou je moeten vragen om bewijslast voor iets waar- van we allemaal weten dat je het niet kunt bewijzen? Jij vraagt toch ook niet om bewijslast als het gaat om: wat is aantrek- kingskracht? Of: wat is schoonheid? Of: wat is kunst? Pauw: Ja, maar dat is wel… aantrekkingskracht is zelfs ge- woon nog te beredeneren. Witteman: Ja, je zet elektronische apparaten op iemands hoofd (…) en ziet wat de hersenactiviteit is. Kluun: Maar ook waarom iemand de ene vrouw of man wel of niet aantrekkelijk vindt? Pauw: Ja… een luchtje… een associatie die je hebt. 1 Er gebeurt veel in dit korte gesprekje. Pauw en Witteman vragen om (wetenschappelijk) bewijs voor het bestaan van God. Kluun vraagt waarom dat nodig is. We kunnen aan- trekkingskracht, schoonheid en kunst toch ook niet bewij- zen? Pauw en Witteman vinden van wel: dat kun je gewoon nagaan door iemands hersenactiviteit te meten. En waarom je iemand wel of niet aantrekkelijk vindt heeft te maken met hoe die persoon ruikt of welke associatie je bij hem of haar hebt. Het idee lijkt te zijn: we geloven ergens pas in als er (wetenschappelijk) bewijs voor is en ook dingen als kunst, schoonheid en aantrekkingskracht kunnen we prima weten- schappelijk verklaren. Anderen hebben deze veronderstelling expliciet gemaakt, zoals bijvoorbeeld in 2008 Herman Philipse in een artikel in NRC Handelsblad met de prikkelende kop “Alleen de weten- schap is de maat der dingen”. 2 Als Philipse gelijk heeft, dan moeten de grenzen van de wetenschap flink opgerekt wor- den. Daarmee bedoel ik niet de praktische grenzen. Die zijn er natuurlijk: we kunnen nog geen levende cel bouwen, het weer kan voor hoogstens tien dagen op een betrouwbare manier voorspeld worden, en we hebben maar een verwaarloosbaar percentage van het heelal in kaart gebracht. Niemand ontkent dat wetenschap praktische grenzen heeft. Robbert Dijkgraaf noemde in zijn jaarrede bij de Koninklijke Nederlandse Aka- demie van Wetenschappen in 2011 nog een hele reeks van zulke praktische grenzen. Ik bedoel principiële grenzen. De gedachte van Pauw en Witteman en ook van Herman Phi- lipse lijkt te zijn dat er geen domeinen van de werkelijkheid zijn waar de wetenschap en dan vooral de natuurwetenschap ons niet de waarheid over kan of zal vertellen. God, leven na de dood, moraal en schoonheid: ook hier moeten we ons al- leen laten leiden door de wetenschap. Mensen die denken dat er geen principiële grenzen aan de wetenschap zijn, worden aanhangers van sciëntisme genoemd, afgeleid van het Engelse woord science. In dit artikel zal ik laten zien waarom sciëntisme een serieuze optie is, welke vor- men van sciëntisme er zijn en waarom de waarheid of on- waarheid van sciëntisme ertoe doet. Ik ga niet argumenteren dat sciëntisme juist is, of dat het onjuist is. Dergelijke argu- menten worden in de diverse bijdragen van dit themanum- mer uitgewerkt en gewogen. Sommige wetenschappers en filosofen denken dat de wetenschap al onze vragen kan beantwoorden. De wetenschap is grenzeloos en de maat van alle dingen. Maar wat bedoelen ze daar eigenlijk mee? Zijn ze geen eenlingen die de waarde van wetenschap overdrijven? En waarom is het debat over dit onderwerp belangrijk?