279 Samenvatting: Wie zou dit volk minachten, dat zulke vrouwen telt? De reconfiguratie van Israël in Ruth, Esther en Judith Zij stonden versteld van haar schoonheid, en door haar verbaasden ze zich over de Israëlieten, en zeiden tot elkaar: ‘Wie zou dit volk minachten, dat zulke vrouwen telt?’ Judith 10:19 “… door haar verbaasden ze zich over de Israëlieten…” – dit korte citaat uit het apocriefe boek Judith nodigt een heel aantal vragen uit: over individuele en collectieve identiteit en identificatie, over gender, over onze perceptie van ‘de ander’ en van onszelf door de ogen van de ander, en tenslotte over de rol die gezaghebbende religieuze teksten bij de formatie en interactie van al deze concepten kunnen spelen. Het citaat over Judith staat niet op zichzelf. De periode tussen de Babylonische ballingschap en het Hasmonese koninkrijk – een periode waarin Israël bezig was zichzelf (opnieuw) uit te vinden - lijkt gekenmerkt te worden door een bescheiden maar misschien niet geheel toevallige toename van vrouwelijke hoofdpersonen in de bijbelse verhalende literatuur. Deze waarneming vormt het startpunt voor mijn onderzoek, waarin ik de boeken Ruth, Esther en Judith lees als pogingen om de religieuze en etnische identiteit van Israël via een vrouwelijk lichaam te conceptualiseren en dit specifieke concept van Israël tegen afwijkende stemmen van binnen en buiten te staven. Terwijl oudere profetische teksten Israël graag als JHWH’s trouweloze echtgenote, rouwende weduwe, of misbruikte maagd afschilderen, kunnen narratieve figuren zoals Ruth, Esther en Judith als subtiel andersoortige belichamingen van Israël worden gelezen. In en door hun lichamen is de gemeenschap kwetsbaar en onschendbaar, gemarginaliseerd en triomfantelijk tegelijk. Kort samengevat heeft mijn onderzoek dus tot doel religieuze en etnische processen van identiteitsvorming in de boeken Ruth, Esther en Judith bloot te leggen, en deze processen expliciet te linken aan het gebruik van vrouwelijke hoofdpersonen als belichamingen van deze identiteit. De veronderstelde wisselwerking tussen diverse concepten (etniciteit, religie, gender, belichaming, etc.) op het niveau van de tekst vereist een interdisciplinair conceptueel en methodologisch raamwerk, waarin inzichten uit etnologie, religiewetenschappen, en gender studies elkaar aanvullen. Een gemene deler van al deze concepten is het bepalen en soms afbreken van de grens tussen ‘ons’ en ‘de ander’. Zo wordt zichtbaar dat ook de bijbelteksten onophoudelijk bezig zijn met het trekken en overschrijden van grenzen: tussen Israël en haar religieuze of etnische ‘ander’, tussen mannen en vrouwen, en tussen de mens en haar ultieme ‘Ander’, God. Bijna altijd hebben verschuivingen binnen één aspect van identiteit repercussies voor andere aspecten. De wisselwerking tussen de verschillende aspecten is dan ook een belangrijk onderwerp binnen mijn analyse. Een tweede gemene deler van religie, etniciteit, en gender is hun resistentie tegen kant-en- klare definities. Toch kies ik ervoor de teksten met behulp van bestaande definities te lezen, waarbij ik laatstgenoemde echter altijd als heuristische middelen zie, die zich aan de dynamiek van de tekst