100 en patiënt. Hierdoor zijn ze zich amper bewust van de verbale en multimodale invloed die ze uitoefenen op de communicatie, noch beseffen ze het belang van contextuele factoren tijdens hun tolkopdracht. Boven- dien blijkt dat tolken vaak niet vertrouwd zijn met de kenmerkende aspecten en geldende protocollen van de contexten waarbinnen ze werkzaam zijn, zoals gezond- heidszorg en asiel. De lacunes binnen de tolkopleidin- gen werden reeds meermaals aan de kaak gesteld, onder meer door Dean en Pollard (2011), Claudia Angelelli (2006) en Demi Krystallidou (2014). Glenn Flores (2004) stelt dat ook binnen de opleiding voor artsen in spe er nog steeds ruimte is voor verbetering wanneer het op (samen)werken met tolken en anderstalige patiënten aankomt. Student-artsen wordt tijdens hun opleiding niet aangeleerd hoe ze op een efficiënte manier kun- nen en zouden moeten omgaan met verschillen in taal en cultuur tijdens een consultatie met een anderstalige patiënt van vreemde origine, noch over hoe ze efficiënt met tolken kunnen samenwerken. Samengevat: er moet binnen de huidige opleidingen meer aandacht komen voor onder meer de actieve rol van de tolk als gespreks- partner, de specifieke kenmerken (zoals persoonlijkheid en intimiteit) van de medische setting, en het belang van patiëntgerichtheid tijdens een triadisch gesprek (getolkte dokter-patiëntcommunicatie). Daarom zullen wij met dit doctoraatsonderzoek richt- lijnen proberen op te stellen voor de opleidingen van student-artsen en student-tolken. Door deze richtlijnen zouden de huidige opleidingen herwerkt en verbeterd kunnen worden. Hieraan tegemoetkomend zal het onderzoek een antwoord proberen te formuleren op de volgende onderzoeksvragen: 1. Hoe ervaren student-artsen de aanwezigheid van een tolk tijdens de consultatie en wat verwachten ze van hem/haar? 2. Hoe ervaren student-tolken de consultatie en wat verwachten ze van de arts? 3. Hoe omschrijven student-artsen en hun trainers de rol van de tolk/de functie van de tolk? CÉLINE VAN DE WALLE EN ELLEN VAN PRAET Tolken opleiden voor de gezondheidssector: een nieuw spoor Dossier Leren om elkaar te begrijpen. I n eerder onderzoek toonde Demi Krystallidou (2012, 2013) aan dat de communicatie tussen arts en patiënt negatief kan worden beïnvloed door de intrin- sieke verschillen in de communicatieve verwachtingen, percepties, visies en doelen van zowel artsen als tolken. Het onderzoek bracht aan het licht dat zowel voor de opleiding van artsen als voor die van tolken een kruisbestuiving tussen beide expertisevelden van groot belang is. Met deze nood in het achterhoofd ging in oktober 2014 een doctoraatsonderzoek van start waarbij als doel werd gesteld om richtlijnen op te stellen voor de opleidingen van tolken die actief zijn in de gezondheidssector, en van artsen. Tolken krijgen tijdens hun opleiding vooral te horen hoe belangrijk het is om de terminologie te beheersen en adequaat te gebruiken en hoe ze hun deontologie en ethische gedragscode het beste kunnen naleven en (op)volgen. Tijdens hun opleiding worden tolken dus bitter weinig geconfronteerd met de rol die ze zelf spelen binnen de communicatie tussen arts In oktober 2014 ging aan de Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent een doctoraatsonderzoek van start dat de brug slaat tussen de opleiding van sociaal tolken die actief zijn in de gezondheidssector en de opleiding van artsen. De toenemende globalise- ring dwingt artsen er immers toe om tijdens een consult vaak een professionele sociale tolk in te zetten om de taalbarrière en vaak ook de cul- tuurkloof tussen arts en patiënt te overbruggen. Taalkundige bijstand is bovendien een recht voor elke anderstalige burger. Maar uit de praktijk blijkt dat het water tussen tolken en artsen nog diep is.