DE - GEDEELTELIJK - AANGEPASTE GEEST - HOE ÉÉN GROOT VERHAAL HET POSTMODERNISME OVERLEEFDE Pouwel Slurink Inleiding In een deel van de twintigste eeuwse filosofie domineerde een neiging om het belang van de wetenschap te relativeren. De postmoderne afkeer van ‘grote verhalen’ is een extreme variant van deze naar mijn smaak doodlopende weg. Wie zich namelijk afkeert van de wetenschap ontneemt zich de mogelijkheid een antwoord te vinden op een aantal van de meest centrale wijsgerige vragen. Natuurlijk, filosofie is als hyperindividuele ‘denkkunst’ zelf nooit helemaal hetzelfde als onpersoonlijke wetenschap. Dat betekent echter niet dat zij geen boodschap hoeft te hebben aan wetenschappelijke theorieën. De filosofie staat niet boven de wetenschap als een soort vooronderstellingsloos platform van waaruit men het wetenschappelijk geploeter daar beneden gemakkelijk kan beoordelen - eventueel veroordelen. Wetenschappelijke theorieën zijn onmisbaar voor het beantwoorden van vragen naar ons wezen en onze oorsprong. Zij berusten op vooronderstellingen, maar daar is niets mis mee. Vooronderstellingen kunnen zich tijdens het werken met theorieën als onmisbaar bewijzen of alsnog blijken onnodige metafysische ballast te zijn. Wetenschappers zijn in feite net als filosofen voortdurend bezig hun vooronderstellingen bij te stellen en hun theorieën fundamenteel om te gooien. Zo heeft de natuurkunde uiteindelijk zelf afgerekend met het eng mechanisch wereldbeeld dat Kant inspireerde tot zijn kenkritiek. De term ‘evolutionair naturalisme’ werd door Roy Wood Sellars in 1922 geïntroduceerd 1 . Het is nog steeds een goede naam voor een naturalistische filosofie die niet plat sciëntistisch is, maar oog heeft voor systeemeigenschappen, de realiteit van doelgerichtheid in de natuur, en de rol van het bewustzijn. Naturalisme staat voor het idee dat de mens onderdeel is van de natuur: natuurwetenschappen zijn daarom relevant voor het begrijpen van de mens. Evolutionair naturalisme verwijst meer specifiek naar de evolutietheorie: wij zijn nu eenmaal produkt zijn van evolutie. Onze geest is niet uit de hemel komen vallen, maar is ontstaan omdat zij kennelijk voordeel bood in de strijd om het bestaan. Het is waarschijnlijk dat sommige van haar eigenschappen – bijvoorbeeld bewustzijn – een ‘overlevingswaarde’ of functie hebben, net als andere organen. Evolutionair psychologen hebben het daarom over een aangepaste geest 2 . Maar je moet altijd voorzichtig zijn met het bestempelen van een bepaalde eigenschap als ‘aanpassing’ – veel eigenschappen zijn simpelweg een bijverschijnsel van andere aanpassingen. De evolutie is bovendien geen vooruitdenkende voorzienigheid, die volmaakte produkten levert, maar een blinde knutselaar, die gewoon steeds verder gaat met de modellen die net wèl werken. Tenslotte is ook de omgeving waarin de menselijke geest geëvolueerd is juist de laatste tienduizend jaar zo drastisch veranderd dat het te verwachten is dat zij talrijke eigenschappen heeft, die alleen vanuit evolutionair- historisch perspectief te begrijpen zijn. Zo zijn ook allerlei karaktereigenschappen van honden en katten alleen evolutionair-historisch te begrijpen. Om al die redenen getuigt het van misplaatst optimisme om de mens een ‘aangepaste geest’ toe te dichten: ik spreek liever over een ‘gedeeltelijk aangepaste geest’. Hiermee doe ik meer recht aan onze onaangepastheid, die niet in strijd is met een evolutionair perspectief. Juist het idee van een gedeeltelijke aangepaste geest vormt de kern van een groot verhaal dat steeds verder is gegroeid in de periode dat vele filosofen zich juist afkeerden van grote verhalen 3 . Laten we eens kijken hoe het thema van de aangepaste geest een aantal filosofische probleemgebieden kan verbinden.