De effectiviteit van cognitieve gedragstherapie bij primair vaginisme: De resultaten van een gerandomiseerde gecontroleerde studie www.tijdschriftvoorseksuologie.nl Tijdschrift voor Seksuologie (2006) 30, 195-203 Reinhilde Melles, Ellen de Groot, Jacques van Lankveld, Moniek ter Kuile, Janneke Nefs, Maartje Zandbergen Academisch Ziekenhuis Maastricht, Leids Universitair Medisch Centrum, Universiteit Maastricht Drs. R. Melles, GZ-psycholoog - seksuoloog NVVS, Academisch Ziekenhuis Maastricht, Afdeling Medische Psychologie. T: +31 43 3875686; F: +31 43 3875682; E: rme@smps.azm.nl Drs. H.E. de Groot, GZ-psycholoog - seksuoloog NVVS, Leids Universitair Medisch Centrum, polikliniek Psychosomatische Gynaecologie en Seksuologie. Dr. J. van Lankveld, klinisch psycholoog – psychotherapeut - seksuoloog NVVS – universitair hoofddocent, Universiteit Maas- tricht, Departement Medische, Klinische en Experimentele Psy- chologie. Dr. M.M. ter Kuile, GZ-psycholoog – psychotherapeut - seksuoloog NVVS, Leids Universitair Medisch Centrum, polikliniek Psychoso- matische Gynaecologie en Seksuologie. Drs.J. Nefs, psycholoog. Drs. M. Zandbergen, psycholoog, Gelderse Roos, Arnhem. Ontvangen: 9 maart 2006; Geaccepteerd: 12 september 2006. Samenvatting In deze studie zijn 117 vrouwen met primair vaginisme behandeld met cognitieve gedragstherapie (CGT). De vrouwen werden at random verdeeld over 3 groepen: a) cognitieve gedragstherapie in een groep (n = 33), b) cognitieve gedragstherapie middels bibliotherapie (n = 27), c) een wachtlijst-controlegroep (n = 33). De behandeling duurde 3 maanden. De controlegroep werd na drie maanden alsnog at random verdeeld over de beide behandelcondities. De groepsbehandeling bestond uit 10 sessies van 2 uur, de bibliotherapie werd ondersteund met 6 telefonische therapeutische contacten van 15 minuten. De vrouwen in beide behandelcondities volgden hetzelfde therapeutisch protocol. Ingrediënten van de behandeling waren: psycho-educatie over seks, ontspanningsoefeningen, bekkenbodemspieroefeningen, graduele exposure en cognitieve therapie. Het einddoel van onze behandeling was het kunnen hebben van gemeenschap. Subdoelen waren niet-coïtale vormen van penetratie en het verbeteren van de seksuele satisfactie. Van de behandelde deelnemers was 18% in staat tot een volledige coïtus aan het einde van de therapie, vergeleken met 0% van de 33 controlegroepdeelnemers. Beide behandelcondities vertoonden geen significante verschillen in resultaat. Bij de follow- up 12 maanden na afsluiting van de behandeling was 26% van de 33 deelnemers aan de groepstherapie en 29% van de 27 deelnemers van de bibliotherapie in staat tot coïtus. De andere penetratiematen lieten een sterke verbetering zien direkt na afloop van de behandeling. In de periode na de behandeling liep het penetratiegedrag weer terug. De behandeling had geen meetbaar effect op seksueel verlangen, opwinding, orgasme en seksuele satisfactie van de vrouwe- lijke deelnemers. De relationele en algemene levenssatisfactie van de vrouwelijke deelnemer en haar partner veranderde evenmin. Op grond van deze resultaten pleiten de auteurs voor een klachtgerichte behandeling van vaginisme. Het focus van de behandeling zou graduele exposure moeten zijn, waarbij vermijdings- en ontsnappingsreacties worden doorbroken ten- einde de angst voor de coïtus te verminderen. V aginisme bij vrouwen wordt gedefinieerd als een persisterend onvermogen tot het vaginaal toelaten van de penis, ondanks de uitdrukke- lijke wens van de vrouw zelf om gemeenschap te heb- ben. Door het onvrijwillig aanspannen van de bekken- bodemspieren wordt de vagina vernauwd of afgeslo- ten. Een aantal vrouwen reageert tevens vaginistisch bij het inbrengen van een tampon, vinger, pelote (kunst- staaf) of speculum (Shafik & El Sibai, 2002). Vrou- wen met primair vaginisme zijn nooit in staat geweest tot coïtus. Vrouwen met secundair vaginisme zijn niet meer in staat tot coïtus, nadat zij dit eerder wel kon- den. Slechts zelden wordt door lichamelijk onderzoek bij vrouwen met een vaginistische reactie een somati- sche oorzaak gevonden voor de klacht, in de vorm van een stug hymen of een congenitale afwijking, zoals