Ouderen en de dragelijkheid van ongelijkheid
Het inkomen van 65-plussers zal naar verwachting een grotere spreiding en een grotere diversiteit aan inkomstenbronnen kennen.
Leeftijd zal als signaal van behoeftigheid aan betekenis inboeten, terwijl opleiding des te meer aan betekenis zal winnen.
Er is niets dat zo veel commotie veroorzaakt in de politiek als de inkomenspositie van ouderen. Elco Brinkman en zijn souffleur Ad
Kolnaar hebben zich in het verleden al danig vergist in het aantasten van de inkomenspositie van deze groep en sinds 1994 worden
ouderen door de politiek met fluwelen handschoenen behandeld.
Laten we ons eens dertig of veertig jaar verder in de tijd verplaatsen. Zouden we dan nog steeds zo'n openingszin kunnen opschrijven?
Hoewel dit soort gedachtenexperimenten misschien beter te rangschikken vallen onder koffiedik-kijken, proberen we toch een antwoord
te formuleren.
Meer inkomensongelijkheid
Een dominante karaktertrek van toekomstige inkomstenontwikkeling is dat we vaker zullen moeten leven met een grotere ongelijkheid
tussen (levens)inkomens. Hoe weten we dat? Dat weten we niet echt, omdat bespiegelingen over de toekomst niet meer zijn dan op een
genuanceerde manier het heden naar de toekomst te verplaatsen. Het meest verstandige dat men kan doen, is de basismechanismen te
duiden waarlangs het inkomen van mensen zich ontwikkelt. Om te beginnen kan men het inkomen van ouderen opdelen in een aantal
bronnen, te weten: inkomen uit AOW, aanvullend pensioen, het rendement op privé-vermogen en inkomen uit arbeid.
Verdelingseffecten AOW
Hoewel de AOW een tamelijk neutrale inkomensbron lijkt, die een bodeminkomen biedt voor 65-plussers, vindt er toch ongemerkt een
herverdeling plaats die wellicht niet strookt met de nobele opzet van de AOW. Door de forse verschillen naar inkomensgroep in
levensduur en de heffingssystematiek van de AOW, vindt er over een mensenleven juist geen herverdeling plaats van rijk naar arm, maar
lijkt in sommige gevallen eerder sprake van het omgekeerde. De herverdelende werking van de AOW wordt (deels) tenietgedaan door
verschillen in levensduur
1
. Rijken genieten langer van hun AOW dan armen. Om de grootte van deze verschillen aan te geven: de
levensverwachting van de armste tien procent van de bevolking is op 65-jarige leeftijd ruim drie jaar korter dan die van de rijkste tien
procent
2
.
Immigranten
Voorts krijgen we in toenemende mate te maken met immigranten die niet alleen tijdens hun werkzame leven aan de onderkant van de
arbeidsmarkt verkeerden, maar dat ook in hun ouderdom doen. Immigranten komen in Nederland op een later moment in hun leven
waardoor zij meteen al tien tot vijftien AOW-opbouwjaren missen, hetgeen zich vertaalt in een korting van twintig tot dertig procent op
hun AOW-uitkering. Op zich hoeft dat niet erg te zijn, omdat nieuwkomers AOW kunnen inkopen. Het feit is dat men dit overwegend
niet doet, hetgeen leidt tot AOW-korting. Voor een deel is dit het gevolg van onwetendheid. Als men wel bekend is met deze optie, dan
is het inkopen van AOW-aanspraken ofwel niet betaalbaar ofwel niet wenselijk.
De allochtonen waar het om gaat, zijn vooral van niet-westerse origine. Deze oudere allochtonen hebben in Nederland ook nauwelijks
aanvullende pensioenrechten opgebouwd omdat zij een relatief laag inkomen hebben
3
. De aanvullende bijstand blijft dan de gangbare
uitweg om de gekorte AOW aan te vullen, waarbij zij wel onderworpen worden aan een middelentoets.
Aanvullend pensioen
De meest fundamentele verandering in pensioenland leidt ertoe dat steeds meer ruimte ontstaat voor de prikkelfunctie van pensioenen en
dat het verzorgingselement minder geldt. Er zijn twee ontwikkelingen die dat illustreren. In de eerste plaats wordt in pensioensystemen
die een uitkeringsniveau garanderen ('defined benefit') steeds meer het middelloonsysteem en steeds minder het eindloonsysteem
Auteur(s):
Dalen, H.P., van (auteur)
Henkens, K. (auteur)
* De auteurs zijn verbonden aan de WRR en het Ocfeb van de Erasmus Universiteit Rotterdam, respectievelijk het Nederlands Interdisciplinair
Demografisch Instituut (NIDI) te Den Haag.
Verschenen in:
ESB, 86e jaargang, nr. 4336, pagina D22, 26 november 2001 (datum)
Rubriek:
Dossier: Generatiebew ust vooruitzien
Trefwoord(en):
vergrijzing