EMDR bij spinnenfobie: twee gevalsbeschrijvingen Harald Merckelbach Peter Muris Samenvatting Nogal wat auteurs geven hoog op van de effecten die met Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) te behalen zijn bij de behandeling van angststoornissen. Voor een aanzienlijk deel steunen deze loftuigingen op dubieuze casuı¨stiek, dat wil zeggen casuı¨stiek waarin de werking van EMDR wordt gedocu- menteerd aan de hand van subjectieve en ongevalideerde uitkomstmaten. Dit artikel beschrijft twee spinnenfobi- sche gevallen waarbij eerst EMDR en vervolgens expo- sure in vivo werd uitgevoerd. Behandelingseffecten werden gee¨valueerd met zowel subjectieve als objectieve maten. De resultaten laten zien dat de gunstige effecten van EMDR zich vooral afspelen op het niveau van de subjectief gerapporteerde angst en veel minder spectacu- lair zijn wanneer het gaat om vermijdingsgedrag. Deze observatie stelt die EMDR–critici in het gelijk die bewe- ren dat positieve zelfrapportage–maten na EMDR niet noodzakelijkerwijze hand in hand gaan met vergelijkbare gedragseffecten. Inleiding Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) is een relatief nieuwe therapeutische techniek waarvan wordt beweerd dat ze uitzonderlijk goed werkt bij de behandeling van bepaalde angstklachten (bijv. de post–traumatische stress–stoornis; PTSS). Grofweg behelst EMDR het volgende: clie¨ nten nemen een aversieve ervaring in gedachten en onderwijl voeren ze ritmische oogbewegingen uit in het horizontale vlak. Onder invloed van deze oogbewegingen zou de aversieve ervaring haar pathogene karakter verliezen en alsnog adequaat worden verwerkt (Shapiro, 1989a, 1989b, 1991a, 1991b). Sinds de introductie van EMDR in 1989 heeft deze techniek gestaag aan terrein gewonnen. Dat wordt onder andere duidelijk uit het aantal therapeuten dat een EMDR–training heeft gevolgd. Alleen al in de Verenigde Staten werd dat eind 1994 op negenduizend geschat (Sha- piro, 1994a ). De opmars van EMDR blijkt voorts uit het feit dat Shapiro in maart 1994 de Scientific Achievement Award van de California Psychological Association in ontvangst mocht nemen. Ten slotte neemt het aantal publikaties over EMDR stormenderhand toe (zie voor een overzicht Merckelbach et al., 1994). Daarbij valt vooral op dat EMDR niet langer uitsluitend wordt toe- gepast bij clie¨nten met PTSS, maar ook geschikt wordt geacht voor de behandeling van seksuele dysfuncties (Wernik, 1993 ), nachtmerries (Pellicer, 1993 ), dwang- neuroses (Rosenthal, 1993 ), intrusies (Puk, 1991 ), dis- sociatieve stoornissen (Tudor, 1994 ) en fobiee¨n (Ten Broeke & De Jongh, 1993 ; p. 248 e.v.). Shapiro (1994b) suggereert dat EMDR een positieve uitwerking kan heb- ben bij al die vormen van psychopathologie waarin trau- matische of aversieve herinneringen een sleutelrol spelen. Veel van de bovenaangehaalde studies lijken deze opvat- ting te ondersteunen. Een tweetal kanttekeningen ver- dient in dit verband echter aandacht. Ten eerste gaat het bij deze studies zonder uitzondering om gevalsbe- schrijvingen. De goede reputatie van EMDR is u¨ber- haupt in niet geringe mate gebaseerd op anekdotisch materiaal. Hoe indrukwekkend dat materiaal ook mag zijn, het kan nooit als substituut voor gecontroleerd Harald Merckelbach, en, (*) HARALD MERCKELBACH en PETER MURIS zijn verbonden aan de vakgroep Differentie¨le en Experimentele Psychologie van de Rijksuniversiteit Limburg. Correspondentieadres: Postbus 616, 6200 MD Maastricht. Dth (1995) 15:64–70 DOI 10.1007/BF03060109 13