ZONDER PARTNER EVEN GELUKKIG? Ruut Veenhoven De voorafgaande hoofdstukken gingen vooral over het effect van 'materiële' omstandigheden op geluk. In dit hoofdstuk komt de invloed van 'relationele' omstandigheden aan de orde. Het gaat dan met name over de vraag of het uitmaakt voor geluk of men alleen leeft of niet. Nog niet zo lang geleden was dat voor de meeste mensen geen vraag. Alleenstaanden werden beschouwd als zielige lieden die je vooral niet moet vergeten op hun verjaardag. Bij een opinie onderzoek in 1965 zei dan ook 60 procent van de Nederlandse bevolking dat ongehuwden in het algemeen minder gelukkig zijn dan gehuwden. De opvattingen over het huwelijk zijn sindsdien echter drastisch veranderd. De nadelen van de binding aan een vaste levenspartner worden meer onderkend en er is meer begrip gekomen voor mensen die vrijheid en autonomie voorop stellen. In het spoor daarvan is men ook anders over alleenstaanden gaan denken. In 1975 was nog maar 35 procent van mening dat ongehuwden minder gelukkig zijn en in 1980 nog slechts 25 procent (Sociaal Cultureel rapport, 1981). De nieuwe opvatting sluit goed aan bij de in deze bundel ter discussie staande theorie dat levensomstandigheden weinig uitmaken voor geluk. Reden te meer om eens na te gaan of dat werkelijk ook zo is 1 Alleenstaanden minder gelukkig. Sinds de zestiger'jaren zijn er in veel westerse landen grootscheepse onder- zoekingen gehouden waarbij mensen gevraagd werd naar de waardering van hun leven als geheel. Bij die onderzoekingen kwamen ongehuwden steevast als minder gelukkig uit de bus. De resultaten van één zo'n onderzoek in de EEG-landen zijn weergegeven in schema 1. Nooit gehuwden, verweduwden en gescheidenen blijken vrijwel overal minder tevreden met hun bestaan dan gehuwden. Opmerkelijk is dat samenwoners qua geluk sterker op gehuwden lijken dan op de alleenstaanden. Samenwoners blijken zelfs nog iets gelukkiger dan gehuwden. Dit komt wellicht doordat hun relaties gemiddeld nog wat priller zijn. De verschillen in geluk tussen alleenstaanden en gehuwden staan niet op zichzelf. Alleenstaanden blijken ook typisch meer psychische problemen te hebben. Niet alleen hebben ze meer en ernstiger klachten dan gehuwden, maar ze komen ook vaker in inrichtingen terecht en verblijven daar langer (o.a. Gove, 1972). Ook op het vlak van lichamelijke gezondheid zijn forse verschillen aangetoond. In alle leeftijdscategorieën blijken alleenstaanden vaker en ernstiger ziek te zijn (Verbrugge, 1979). Er is ook een hogere sterfte onder alleenstaanden. In de categorie van jong-volwassenen is de sterfte onder alleenstaanden zelfs 2 tot 4 maal zo hoog als die onder gehuwden (Gove, 1073:59). Die verschillen komen deels voor rekening van de hogere aantallen suïcides onder alleenstaanden (Gove, 1972b), en deels voor rekening van ongevallen en ziekten die verband houden met riskant gedrag (leveraandoeningen, longkanker). Er zijn echter ook aanzienlijke verschillen in sterfte ten gevolge van oorzaken die men nauwelijks in eigen hand heeft: bv. dood als gevolg van tbc en diabetes (Gove, 1973), ten gevolge van hartziekten (Lynch, 1977:244/249) en ten gevolge van talrijke vormen van kanker (Lillienfeld et al., 1972:126). Dit patroon lijkt in alle geïndustrialiseerde landen In: Betere wereld gelukkiger mensen? Ruut Veenhoven (red.) , Swets & Zeitlinger b.v., Lisse, Nederland, 1984, ISBN 90 265 0526 4 Pag. 44 - 60 (Hoofdstuk 4) Correspondentie: Prof. Dr. Ruut Veenhoven, Erasmus Universiteit Rotterdam, Faculteit Sociale Wetenschappen, Postbus 1738, 3000 DR Rotterdam, Nederland. www2.eur.nl/fsw/research/veenhoven