vrijetijdstudies nummer 1, jaargang 29, 2011 I 17 Leefstijlsporten: van tegencultuur tot webbased sportnetwerk Ester Wisse, Jo Lucassen, Froukje Smits, Niels Reijgersberg, Lotte Salome en Roelien Luijt W.J.H. Mulier Instituut, Postbus 188, 5201 AD ‘s-Hertogenbosch e.wisse@mulierinstituut.nl Van 2007 tot en met 2011 onderzocht het Mulier Instituut de samenhang tussen pro- cessen van de sportificering van leefstijlsporten en de ervaring en beleving van beoe- fenaars. Middels kwalitatieve casestudies in verschillende leefstijlsporten en een lan- delijke survey, is inzicht verkregen in processen van institutionalisering, professionali- sering, commercialisering en mediatisering. Ook is gekeken naar de manier waarop leefstijlsportbeoefenaars deze processen beleven en ervaren. Uit het onderzoek kwam naar voren dat de verschillende sportificeringsprocessen er voor gezorgd hebben dat de groep leefstijlsporters groter en meer divers is gewor- den. Naast de oorspronkelijke ‘alternatieve’ beoefenaars begeven zich nu ook profes- sionals en incidentele participanten in de leefstijlsporten. Gekleurd door de sportifi- ceringsprocessen, maar ook onder invloed van meer persoonlijke factoren, heeft iede- re beoefenaar zijn of haar eigen belevingen en ervaringen in de leefstijlsport. Een ge- meenschappelijk kenmerk van vrijwel alle leefstijlsporters is de verbondenheid met elkaar, via online netwerken. 1 | Inleiding Het Nederlandse sportlandschap verandert en wordt de laatste decennia voortdurend verrijkt met nieuwe vormen van sport. De Nederlandse sportcultuur van de 20e eeuw is lange tijd ge- domineerd door in verenigingsverband beoefende traditionele sporten. Vanaf de jaren zestig is een geleidelijke verschuiving in de sportbeoefening zichtbaar naar minder traditionele vor- men, die in ons land eerst werden bestempeld als recreatieve sport. Het gaat hierbij om sportvormen die op een ongestructureerde en informele wijze worden beoefend. Vanaf de ja- ren tachtig zien we in Nederland een grote opkomst van individuele sporten zoals hardlopen, fietsen en fitness, die ook in minder vaste verbanden beoefend kunnen worden. In het ver- lengde van deze ‘informalisering’ deed zich een proces van differentiatie voor. De sport- wereld werd uitgebreid met ‘nieuwe’ sporten die verschillende benamingen dragen zoals leefstijlsporten, extreme sporten of alternatieve sporten. Voorbeelden van dit soort sporten zijn skateboarden, snowboarden, mountainbiken, raften en surfen. Deze en vele andere acti- viteiten waren lange tijd onbekend of werden niet als sportactiviteit gezien. Hoewel deze sporten tegenwoordig ook commerciële en competitieve elementen hebben, worden ze in de kern door de beoefenaars benaderd als fysieke belevingen, als ‘doen’ en ‘meemaken’. Hoewel deze ontwikkelingen van verschillende kanten zijn toegejuicht en gestimuleerd, is er in ons land pas relatief laat onderzoek gedaan naar de sociaal-culturele achtergrond van deze ontwikkeling. In ons omringende landen als België, Duitsland en Frankrijk verschijnen al in de jaren zeventig en tachtig studies over de ontwikkeling van deze alternatieve sport of ‘nicht-sportliche Sport’ (o.a.Vanreusel & Renson 1982) . De studie van Crum (1991) over ver- sporting van de samenleving, enkele jaren daarna gevolgd door van Bottenburgs proefschrift (1994) over de uiteenlopende populariteit van sporten, vormt in Nederland de opmaat voor wetenschappelijke belangstelling voor de alternatieve sport. In beide publicaties wordt de dif- ferentiatie in de sport in algemene zin beschreven en geanalyseerd, waarbij de alternatieve sport wel aan de orde komt, maar niet centaal staat. In het onderzoeksprogramma naar leefstijlsporten van het Mulier Instituut (2007-2011)