‘Doctrina dats leringhe’ Publiek en gebruik van de Dietsche doctrinale Renée Gabriël Wie in de late middeleeuwen op zoek ging naar een veelomvattend leerboek in de Nederlandse taal, had grote kans met de Dietsche doctrinale thuis te komen. Deze volks- talige versie van Albertanus van Brescia’s De amore et dilectione Dei et proximi et alia- rum rerum et de forma vitae (1238) werd in 1345 in Antwerpen voltooid en moet daarna gedurende anderhalve eeuw in de hele Nederlanden en het Nederduitse taalgebied zeer populair geweest zijn. Van de Dietsche doctrinale zijn tien complete handschrif- ten bewaard gebleven en fragmenten van nog eens twintig handschriften. 1 Daarnaast zijn er twee exemplaren van een druk uit 1489 en twee Duitse berijmde vertalingen overgeleverd. De tekst stond bovendien model voor een Duitse prozavertaling van de hand van Erhart Groß, die een grote verspreiding in druk kende. 2 De Dietsche doctri- nale is anoniem overgeleverd, maar zeventiende-eeuwse historici schrijven het werk op basis van oude kronieken toe aan Jan de Clerck, tegenwoordig bekend als Jan van Boendale. 3 Terwijl wij de naam Boendale vooral associëren met de Lekenspiegel of de Brabantsche yeesten, wordt in deze kronieken de Dietsche doctrinale als zijn belangrijkste wapenfeit genoemd. * Dit artikel komt voort uit mijn promotieonderzoek aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Mijn dank gaat uit naar Herman Brinkman, Hans Kienhorst en Johan Oosterman voor hun waardevolle commentaar op eerdere versies van dit stuk, Suzan Folkerts en de anonieme referenten van Queeste voor hun leerzame feedback en de medewerkers van de verschillende bibliotheken (in het bijzonder Ann Kelders en Ed van der Vlist) voor hun hulp- vaardigheid. Miko Flohr en Ad Poirters ben ik zeer dankbaar omdat ze over aspecten van het onderzoek met mij mee wilden denken. Van der Vlist 1995 en Riedel-Bierschwale 2009, 120-127. Het gaat in totaal om 22 fragmenten. Daarvan zijn Gent, Universiteitsbibliotheek (ub), hs. 1636 en Gent, ub, hs. 2210 afkomstig van dezelfde codex, evenals Berlijn, Staatsbibliothek zu Berlin, Preußischer Kulturbesitz (sbb-pk), Ms. germ. fol. 757, 14-15 en Londen, British Library (bl), ms. Add. 34.392, XV, Bl. 55. Olim Gent, Napoleon de Pauw heb ik hierbij niet meegerekend. Riedel-Bierschwale 2009 en Lievens 1960. Anders dan deze auteurs veronderstellen, gaat de prozavertaling van Groß niet direct terug op het Middelnederlands, maar op de berijmde Middelnederduitse vertaling (Gabriël 2011, 211). Op het schutblad van het zogenaamde ‘handschrift-Kluit’ (Leiden, Universiteitsbibliotheek (ub), hs. Ltk. 1019, ca. 1425) lezen we: ‘Anno 1351 sterf Jean de Clerck, secretaris van Antwerpen, die den duijtsen doctrinael hadde gemaeckt. In Chronico. Rhytmico parvo.’Volgens De Vreese is de notitie geschreven door Johannes Gaspard Ger- vatius, de zeventiende-eeuwse bezitter van het handschrift. Deze Gervatius, niet te verwarren met zijn vader Jo- hannes, was van 1623 tot 1666 stadssecretaris te Antwerpen (De Vreese 1894, 157-158). Ook Andries van Valckenisse (1630-1701) vermeldt het gegeven in zijn Annales rerum Antwerpiensium (Brussel, Koninklijke Bibliotheek (kbr), hs. 18724-18732), hij spreekt echter over Jan Deckers: ‘Anno 1351 stierf Jan Deckers secretaris van Antwerpen die den duytschen doctrinael maecte ende veel andere schoone boecken’ (Prims 1936, 402).Valckenisse baseerde zich op een kroniek die door Prims omschreven wordt als ‘het boek van juffrouw Francken’. De datering van deze kro- niek is onbekend, maar delen eruit stemmen overeen met de familiekroniek van de Halmales die in de vijftiende eeuw werd aangelegd (Prims 1936, 398, 400-402).Valckenisse werd in 1664 stadssecretaris van Antwerpen en had dus toegang tot veel oude bronnen (Prims 1936, 405). *