KRONIEK Het adolescentenstrafrecht in Nederland: de stand van zaken vier jaar na invoering van de Wet adolescentenstrafrecht Kroniek van het jeugdrecht * Ton Liefaard & Stephanie Rap Op 1 april 2014 is de Wet adolescentenstrafrecht in werking getreden. Met deze wet werd de leeftijdsgrens in artikel 77c Sr, dat toepassing van het jeugdstrafrecht mogelijk maakt op jongvolwassenen, opgerekt van 21 naar 23 jaar. In dit artikel wordt de balans opgemaakt, vier jaar na invoering van deze wet. In de praktijk lijkt de toepassing van artikel 77c Sr meer, maar nog steeds weinig voor te komen. Dit heeft onder meer te maken met verwarring die bestaat over de doelgroep die in aanmerking zou moeten komen voor het adolescentenstrafrecht. De toeleiding naar en motivering van toepas‐ sing van de wet laten een zeer uiteenlopend beeld zien. Inleiding Het is alweer nagenoeg vier jaar geleden dat de Wet adolescentenstrafrecht in werking trad. Op 1 april 2014 werden de Wetboeken van Strafrecht (Sr) en Straf‐ vordering (Sv) aangepast om de grens tussen het jeugdstrafrecht en het commune strafrecht (ook wel volwassenenstrafrecht) flexibeler te maken voor met name 21- en 22-jarigen. Met deze wet werd de leeftijdsgrens in artikel 77c Sr, dat toe‐ passing van het jeugdstrafrecht mogelijk maakt op een bepaalde groep jongvol‐ wassenen, opgerekt van 21 jaar naar 23 jaar. Jongvolwassenen die tussen de 18 en 23 jaar oud waren ten tijde van het plegen van een strafbaar feit, kunnen zodoende worden gestraft volgens het jeugdstrafrecht. Naast deze wijziging, werd nog een aantal andere wijzigingen doorgevoerd die verband houden met deze fle‐ xibilisering van de bovengrens van het jeugdstrafrecht. Zo werd het bijvoorbeeld mogelijk om jeugdreclassering in te zetten bij jongvolwassenen en ‘gewone’ reclas‐ sering bij 16- of 17-jarigen. Ook werd het mogelijk om de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) in bepaalde uiterste gevallen om te zetten in een maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging en om jongvolwassenen voorlopig te hechten in een justitiële jeugdinrichting indien de officier van justitie voornemens is toepassing van artikel 77c Sr te vorderen (zie uitgebreider over de wijzigingen Van Kempen, 2014). * De auteurs bedanken Arjan de Vries, LLB voor zijn ondersteuning bij het schrijven van dit artikel. Tijdschrift voor Criminologie 2018 (60) 3 doi: 10.5553/TvC/0165182X2018060003006 365