OPMERKELIJK Onderzoek naar diagnostisch onderzoek bij Engelse adolescenten E.J. Knorth In Nederland wordt veel geschreven over diagnostiek bij kinderen en adolescenten met gedrags– en opvoedings- problemen. Een van de vragen die hierbij vaak aan de orde is, betreft de relatie tussen diagnostiek en behande- ling. Niet zelden wordt betoogd dat deze twee processen niet goed op elkaar aansluiten (Raijmakers & Van der Kooij, 1995) en dat het nut van diagnostisch onderzoek voor de hulpverlening soms zeer beperkt is (Van der Ploeg & Scholte, 1995). De aansluitingsproblematiek is geen uniek Nederlands fenomeen. Ik kwam onlangs een Engels onderzoek tegen dat in deze context enkele interessante resultaten te zien geeft. Aanleiding voor het onderzoek was de zorg die er in brede kring bestaat over de kwaliteit van de diagnostische besluitvorming door hulpverleners/maatschappelijk werkers, wanneer zij geconfronteerd worden met gezinnen en kinderen met ernstige psychosociale problemen. Er waren bijvoorbeeld vragen over het gefundeerd zijn van plaatsingsbeslissin- gen, de betrokkenheid van kinderen en ouders bij het beslissingsproces, de mate waarin de hulpplanning ade- quaat is en de ingezette hulp op de etnisch–culturele eigenheid van clie¨nten afgestemd wordt; vragen die ons in Nederland niet onbekend in de oren klinken. Om hierop meer zicht te krijgen verrichtte het National Children’s Bureau (NCB) een studie bij het Social Services Department van Londen–Centrum, een (deel) gemeente met ± 200.000 inwoners (Sinclair, Garnett & Berridge, 1995). Dit Department kent een afdeling Child- ren and Families (C&F) die verantwoordelijk is voor de psychosociale hulpverlening aan kinderen en gezinnen. C&F draagt zelf zorg voor ambulante begeleiding van jeugdigen en gezinnen, en treedt als plaatsende instantie op voor kinderen bij wie een verblijf in een pleeggezin of een residentie¨le instelling wordt gerealiseerd. Verder beschikt C&F over een Adolescent Assessment Service (AAS), die op indicatie diagnostisch onderzoek verricht of laat verrichten, speciaal ten behoeve van de groep jeugdigen van ongeveer tien jaar en ouder. De afdeling C&F doet, vooral in de poortwachtersfunctie die ze ver- vult, denken aan het Bureau Jeugdzorg zoals dat in Nederland vorm moet krijgen. Dat maakt het onderzoek extra interessant. Opzet Het onderzoek betrof 75 adolescenten (10 t/m 16 jaar; willekeurig gekozen uit alle C&F–clie¨nten over een periode van een jaar), voor wie nader diagnostisch onder- zoek nodig was omdat a. plaatsing in pleegzorg of (semi–)residentie¨ le zorg werd overwogen; b. plaatsing onlangs was gerealiseerd terwijl er in feite niet veel bekend was over de probleemsituatie van de jeugdige clie¨nt; of c. plaatsing voortijdig was afgebroken. De dia- gnostiek geschiedde o´ f door een maatschappelijkwerker in het kader van de ‘normale’ begeleiding van jeugdige en ouders (‘routine’), o´f door de AAS (‘verwezen’). In het tweede geval werd in feite extra deskundigheid ingezet, waardoor de diagnostiek geacht werd uitvoeriger en diepgravender te zijn. Het diagnostisch onderzoek kon ambulant, maar ook residentieel of binnen het kader van pleegzorg (AAS beschikt bijvoorbeeld over ‘assessment foster homes’) plaatsgrijpen. Bij de jeugdigen die deel uitmaakten van de onderzoeksgroep moest aan de eis voldaan zijn dat de C&F–hulpverlener minimaal drie maanden actieve, continue bemoeienis had met het clie¨ nt- systeem. Het ging dus om een groep waarbij ten minste E.J. Knorth, Dr., (*) Dr. E.J. Knorth, Vakgroep Orthopedagogiek, Rijksuniversiteit Leiden, Postbus 9555, 2300 RB Leiden. Kind en adolescent (1996) 17:168–171 DOI 10.1007/BF03060636 13