ONDERZOEK De waarde van anamnese, lichamelijk onderzoek, BSE en CRP voor de diagnose pneumonie bij acute lage-luchtweginfectiesbronchitis Rogier Hopstaken Jean Muris Andre´ Knottnerus Arnold Kester Paula Rinkens Geert-Jan Dinant Samenvatting Hopstaken RM, Muris JWM, Knottne- rus JA, Kester ADM, Rinkens PELM, Dinant GJ. De waarde van anamnese, lichamelijk onderzoek, BSE en CRP voor de diagnose pneumonie bij acute lage-lucht- weginfecties. Huisarts Wet 2004;47(1):9-15. Doel Bepalen van de diagnostische waarde van ana- mnese, lichamelijk onderzoek, bezinking (BSE) en C- reactief proteı¨ne (CRP) voor pneumonie; opstellen van een predictieregel om de aanwezigheid van pneumonie te kunnen schatten en het vaststellen van een laagrisico- groep die geen antibiotische behandeling nodig heeft. Methode Vijfentwintig huisartsen in Zuid-Nederland registreerden klinische informatie en de diagnose van 246 volwassen patie¨ nten die met een LLWI op het spreekuur kwamen. Bloedmonsters voor BSE en CRP werden afgenomen en thoraxfoto’s (referentiestandaard) werden vervaardigd. Resultaten Droge hoest, diarree en temperatuur van =38 ºC waren onafhankelijke en statistisch significante voorspellers van pneumonie. Demping bij percussie, cre- pitaties bij auscultatie en de klinische diagnose pneumonie door de huisarts hadden geen voorspellende waarde. BSE en CRP hadden hogere diagnostische odds- ratio’s dan elk gegeven uit anamnese en lichamelijk onderzoek. Het toevoegen van CRP aan het klinische predictiemodel leidde tot een significant hogere kans op een correcte diagnose. Conclusie De meeste traditionele ziekteverschijnselen van pneumonie en de klinische diagnose van de huisarts waren niet voorspellend voor pneumonie. Droge hoest, diarree, temperatuur =38 ˚C, verhoogde BSE en CRP waren dit wel. Keywords anamnese bacterie diagnostiek laboratorium (diagnostiek) lichamelijk onderzoek pneumonie luchtweg- en longaandoeningen onderzoek Inleiding De belangrijkste diagnostische uitdaging van huisartsen bij patie¨ nten met een acute lage-luchtweginfectie (LLWI) is de juiste patie¨ nt te selecteren voor antibiotische behan- deling. In tegenstelling tot acute bronchitis, waarbij anti- biotica zelden nodig zijn,1,2 wordt het bij pneumonie als een kunstfout beschouwd om de patie¨nt antibiotica te onthouden. Het zou daarom voor de huisarts bijzonder nuttig zijn tijdens een consult te beschikken over diagnos- tische middelen om pneumonie van andere lage lucht- weginfecties te onderscheiden zonder de patie¨ nt te moeten verwijzen voor aanvullend bloedonderzoek of longfoto.3 Eerstelijns diagnostisch onderzoek hiernaar is echter nauwelijks voorhanden. Klassieke verschijnselen van pneumonie verkregen uit ziekenhuisonderzoeken zijn van beperkte waarde voor de Rogier Hopstaken (*) Universiteit Maastricht, Care and Public Health Research Institute (Caphri), Capaciteitsgroep Huisartsgeneeskunde, Postbus 616, 6200 MD Maastricht: drs. R.M. Hopstaken, dr. J. W.M. Muris, prof.dr. J.A. Knottnerus, prof.dr. G.J. Dinant, huisartsen; P.E.L.M. Rinkens, onderzoeksassistent; Capaciteitsgroep Methodologie en Statistiek: dr. A.D.M. Kester, statisticus.Correspondentie: Rogier. Hopstaken@HAG.unimaas.nlMogelijke belangenverstrengeling: niets aangegeven.Dit artikel verscheen eerder als ‘Contributions of symptoms, signs, erythrocyte sedimentation rate, and C-reactive protein to a diagnosis of pneumonia in acute lower respiratory tract infection’ (Br J Gen Pract 2003;53:358-64). Publicatie gebeurt met toestemming van de uitgever. Huisarts en Wetenschap (2004) 47:976–984 DOI 10.1007/BF03084074 13