Het gebruik van hypnose in de differentiatie tussen epileptische en pseudo–epileptische aanvallen: een pilot–studie Leo Dunki Jacobs Jarl Kuyk Albert P. Aldenkamp Richard van Dyck Harry Meinardi Arthur E.H. Sonnen Samenvatting In een gerandomiseerd enkel–blind onderzoek met dertien patie¨nten is de effectiviteit van een hypnosetechniek onderzocht als diagnostisch instru- ment bij het onderscheiden van epileptische en pseudo– epileptische aanvallen. De gehanteerde methode is geba- seerd op het fenomeen dat veel van deze patie¨ nten amnes- tisch zijn voor beide soorten aanvallen. Voor de meeste typen epileptische aanvallen zijn de hersenen niet in staat informatie op te nemen gedurende de aanval; dit in tegen- stelling tot de amnesie bij pseudo–epileptische aanvallen, waarbij verondersteld wordt dat het geheugenverlies gebaseerd is op psychologische mechanismen. Onze hypothese is dat een hypnotische regressie naar een aan- val de mogelijkheid biedt beide typen aanvallen te kun- nen onderscheiden. Als de amnesie in hypnose kan worden opgeheven, is er sprake van een pseudo–epilep- tische aanval; zo niet, dan spreekt men van een epilep- tische aanval. De gegevens, verkregen met de hypnoseprocedure, worden vergeleken met die van de klinische diagnose. Bij acht van de tien proefpersonen (drie proefpersonen voltooiden de procedure niet) werd de experimentele diagnose bevestigd door de klinische diagnose. Ook bleken proefpersonen met pseudo–epilep- tische aanvallen gemiddeld beter hypnotiseerbaar dan die met epilepsie. De huidige diagnostische technieken zijn gericht op het aantonen van de organische compo- nent van de stoornis; de onderzochte methode tracht daarentegen het psychogene karakter van de pseudo– epileptische aanval aan te tonen. Nader onderzoek is nodig om te bepalen of deze methode een goede aanvul- ling op de gangbare technieken kan zijn. Er zijn stoornissen die op het eerste gezicht kunnen doen denken aan epilepsie. In de epilepsiecentra worden regel- matig patie¨ nten ter observatie opgenomen, bij wie nadere diagnostiek uitwijst dat er geen sprake is van epilepsie, maar van verschijnselen die klinisch sterk lijken op epi- leptische aanvallen. Het onderscheiden van deze pseu- doepileptische aanvallen van echte is in de praktijk vaak een groot diagnostisch probleem, met name bij patie¨ nten die zowel epileptische als pseudo–epileptische aanvallen hebben. Een verkeerde diagnose kan aanzienlijke nega- tieve consequenties hebben: onterecht of overmatig gebruik van anti–epileptica, negatieve psychosociale gevolgen en het terechtkomen in een verkeerd hulpverle- ningscircuit (Lesser, 1985) . Na bespreking van een aantal aspecten van deze pro- blematiek, wordt verslag gedaan van een pilot–studie naar de effectiviteit van een procedure, die tot doel heeft te differentie¨ren tussen epileptische en pseudo–epi- leptische aanvallen; bij deze procedure wordt gebruik gemaakt van hypnose. Gezien het feit dat men over het algemeen een relatief hoge mate van hypnotiseerbaarheid vindt bij mensen met dissociatieve klachten, wordt tevens bekeken of de mate van hypnotiseerbaarheid van de Leo Dunki Jacobs (*) L. DUNKI JACOBS, psycholoog, werkzaam bij het RIAGG– Midden–Brabant te Tilburg. J. KUYK, psycholoog, werkzaam bij het Instituut voor Epilepsiebestrijding Meer en Bosch/De Cruquiushoeve te Heemstede. DR. R. VAN DYCK, hoogleraar ambulante en sociale psychiatrie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. DR. A.P. ALDENKAMP, hoogleraar klinische en orthopedagogiek aan de Rijksuniversiteit Leiden; hoofd Psychologisch Laboratorium van het Instituut voor Epilepsiebestrijding Meer en Bosch/De Cruquiushoeve te Heemstede. DR. H. MEINARDI, hoogleraar epileptologie aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen; directeur van het Instituut voor Epilepsiebestrijding Meer en Bosch/De Cruquiushoeve te Heemstede. A. E.H. SONNEN, zenuwarts, hoofd van het Epilepsiecentrum Dr. Hans Berger Kliniek te Breda. Dth (1992) 12:70–77 DOI 10.1007/BF03059991 13