Lijden en leiden Erik J. Knorth Wie herinnert zich niet het beeld van de traag en moeizaam bewegende prins Claus? De enkele jaren geleden overleden echtgenoot van koningin Beatrix was in Nederland waarschijnlijk de meest bekende lijder aan de ziekte van Parkinson; een neurologische aandoening die gepaard gaat met beven, spierstijfheid en traagheid van het bewe- gingsapparaat. Ik vond zijn (moeten) verschijnen op tv vaak deerniswekkend en heb me wel eens afgevraagd welke impact zijn ziekte had in huiselijke kring, bij zijn vrouw en kinderen. Over de betekenis die een chronische ziekte (zoals Parkinson) van een ouder heeft voor de kinderen, is onderzoek gedaan door Anne Marie Meijer, Susan van Oostveen en Geert Jan Stams. Deze Amsterdamse collega’s zijn nagegaan wat de ge- volgen zijn voor de kinderen, wanneer dezen een rol op zich nemen en/of krijgen toebedeeld in de huishouding en de zorg voor hun zieke vader of moeder, met andere woorden, wanneer zij mantelzorg geven. Uit het onderzoek wordt duidelijk dat de uitvoering van mantelzorg geen sinecure is en bepaald belastend kan zijn voor het psychosociaal welbevinden van de kinderen. Wanneer zij veel mantelzorgtaken uit- voeren, lopen ze een beduidend risico op psychisch lijden. De meeste jonge mantel- zorgers zijn relatief ‘onzichtbaar’; zij klagen niet snel en ontberen volgens de auteurs niet zelden adequate ondersteuning. Een vraagstelling van een heel andere orde dient zich aan in het openingsartikel van dit nummer: kun je voor het achttiende levensjaar bij jongeren een ‘persoonlijkheids- stoornis’ vaststellen of - zoals Christel Hessels, Marcel van Aken en Bram Orobio de Castro het liever formuleren - kan je bij deze groep adolescenten ‘persoonlijkheidspathologie’ diagnosticeren? Dit laatste concept verwijst naar de aanwezigheid van rigide en on- aangepaste patronen van waarneming, denken en omgaan met anderen waardoor jongeren diepgaand in hun functioneren belemmerd worden en psychisch lijden er- varen (zie Bleiberg, 2001). Er is onder clinici grote terughoudendheid in woord en schrift om gewag te maken van een persoonlijkheidsstoornis bij minderjarigen. Rede- nen hiervoor zijn bijvoorbeeld dat dit label stigmatiserend kan werken, de suggestie bevat van ernstige en zeer moeilijk beı ¨nvloedbare problematiek (met alle gevolgen van dien voor het zelfbeeld van de adolescent), en als classificatie niet zinvol wordt geacht zolang de jeugdige nog in ontwikkeling is ofwel zich nog geen stabiele ‘persoonlijk- heid’ (en persoonlijkheidspathologie) heeft gevormd. De auteurs onderwerpen vooral dit laatste argument aan kritisch onderzoek en tonen bevindingen die wijzen op zowel stabiliteit als instabiliteit. Het derde artikel in dit nummer beschrijft de ontwikkeling en psychometrische kwaliteit van een categoriee ¨nsysteem, dat clinici als kader kunnen hanteren bij het in kaart brengen van de doelen waardoor zij zich (als het goed is) laten leiden in hun hulpverlenend handelen met clie ¨nten. De auteurs - Wouter Reith, Rianne Hofman, Geert Jan Stams en Tom van Yperen - gaven tijdens de 2007-versie van het jaarlijkse congres ‘Jeugdzorg in onderzoek’ een workshop waarin zij de toepassing van het systeem demonstreerden. Zij verzochten het publiek (zo’n dertig praktijkbeoefenaren en on- derzoekers waarvan schrijver dezes er een was) een serie uit de praktijk afkomstige kind en adolescent | jaargang 29 (2008), nr. 4, p. 192–193 | www.kindenadolescent.nl 192