3 Rick de Graaff onderzocht de taalvaardigheid Engels in groep 8 van basisscholen met vroeg vreemdetalenonderwijs vanaf groep 1, in ver- gelijking met scholen met een regulier pro- gramma Engels in het Basisonderwijs vanaf groep 7. Getoetst is of vroege starters beter luisteren, lezen, schrijven, spellen en spreken dan late starters. Het onderzoek laat zien dat vroege starters gemiddeld beter presteren dan late starters, maar ook dat de verschillen klein zijn, en de overlap tussen beide groepen groot. Cito-scores, taalattitude en buiten- schools taalcontact blijken een sterke voor- spellende waarde te hebben voor de resulta- ten op de Engelse taalvaardigheidstoetsen bij zowel de vroege als de late starters. Anne Beeker, Daniela Fasoglio, Kim de Jong, Jos Keuning en Alma van Til onder- zochten welk ERK-schrijfvaardigheidsniveau door leerlingen aan het eind van havo en vwo voor Engels, Duits en Frans wordt behaald. Per taal zijn van enkele honderden examen- kandidaten schrijfproducten gescoord met behulp van een beoordelingsschaal. Om uit- spraken te kunnen doen over het niveau van de schrijfproducten zijn deze vervolgens door een groep internationale taalexperts gerela- teerd aan het Europees Referentiekader voor moderne vreemde talen. Uit het onderzoek blijkt dat bij drie van de zes onderzochte populaties hooguit de helft van de leerlingen het ERK-streefniveau schrijfvaardigheid haalt. Voor Engels havo wordt het ERK-streefniveau door een grote meerderheid behaald Klaske Elving en Huub van den Bergh onderzochten welke didactische werkvor- men effectief zijn binnen het schrijfonderwijs Nederlands in de havo-bovenbouw. Daarbij lag de focus op de plan- en de revisiefase van het schrijfproces, op duidelijkheid over het eindproduct en op een didactische werk- vorm waarbij de schrijvende leerling interac- teert met peers. De resultaten wijzen uit dat vijf minuten overleggen met een klasgenoot voordat met het daadwerkelijke schrijven wordt begonnen, significant verschil maakt in de kwaliteit van teksten. Bovendien blijkt de factor tijd een belangrijke rol te spelen in het revisieproces. Havo 5-leerlingen blijken twee weken na het inleveren van de eerste versie van hun tekst deze succesvol te kunnen reviseren, ongeacht of zij in de tussentijd al dan niet extra schrijfonderwijs krijgen aan- geboden. In het onderzoek van Dingena Blanken- stein, waarmee zij in 2014 de Westhoff- scriptieprijs won, is nagegaan wat en hoe leerlingen leren van peerobservatie en peer feedback geven bij gespreksvaardigheid Spaans. Zij ontwikkelde een lessenreeks met peerobservatie en peer feedback bij vrije spreekopdrachten als centrale leeractivitei- ten; bij aanvang kregen de leerlingen een training hierin. Vlak na de observatietaak vulden de leerlingen learner reports in om hun leren in kaart te brengen. Een nul- en nameting maken verschuivingen zichtbaar in de opvattingen van de leerlingen over observerend leren en feedback geven. Uit de resultaten blijkt dat peerobservatie en peer feedback bewustwording van verschillende leerstrategieën stimuleren en zelfregulerend leren ondersteunen. Kees de Glopper en Jacqueline van Kruiningen signaleren Genres in schoolvakken: Taalgerichte didactiek in het voortgezet onderwijs van Bart van der Leeuw en Theun Meestringa, en Helge Bonset signaleert het proefschrift van Hiske Feenstra: Assessing writing ability in primary education. On the evaluation of text quality and text complexity. Namens de redactie, Helge Bonset 2 Ten Geleide Steeds meer basisscholen starten met les in het Engels vanaf de onderbouw. Onderzoek naar positieve effec- ten van een vroege start is echter niet eenduidig. Dit artikel doet verslag van onderzoek naar de taalvaardigheid Engels in groep 8 van basisscholen die vroeg vreemdetalenonderwijs (vvto) aanbieden vanaf groep 1, in vergelijking met scholen met een regulier programma Engels in het Basisonderwijs (Eibo) vanaf groep 7. Getoetst is of vroege starters beter luisteren, lezen, schrijven, spellen en spreken dan late starters. Daarbij is gekeken naar de effecten van schoolkenmerken, scores op de Cito-eindtoets, taalattitude, buitenschools taalcontact en thuistaal. Het onderzoek laat zien dat vroege starters gemid- deld beter presteren dan late starters, maar ook dat de verschillen klein zijn, en de overlap tussen beide groepen groot. Cito-scores, taalattitude en buiten- schools taalcontact blijken een sterke voorspellende waarde te hebben voor de resultaten op de Engelse taalvaardigheidstoetsen van zowel de vroege als de late starters. Het artikel sluit af met aanbevelingen om de effectiviteit van vroeg vreemdetalenonderwijs te kunnen vergroten. Engels is een kernvak in het voortgezet onderwijs, net als Nederlands en rekenen/ wiskunde. In het basisonderwijs is Engels weliswaar sinds 1986 een verplicht vak, maar scholen kunnen eigen keuzes maken in de vormgeving van het aanbod Engels, bijvoorbeeld in de groepen waarin zij Engels aanbieden, in de didactiek die zij hanteren, in de leerkrachten die Engels geven, in de specifieke deskundigheid voor Engels van deze leerkrachten en in de tijd die aan Engels besteed wordt (Geurts, De Graaff & Hemker, 2014). Uit onderzoeken blijkt dat scholen in toenemende mate verschillende keuzes maken en dat er een grote diversi- teit bestaat in het Engels dat leerlingen op de basisscholen aangeboden krijgen (Thijs e.a., 2011). Bij de invoering van Engels in het basison- derwijs (Eibo) is ingezet op een communica- tieve aanpak en als officieuze richtlijn werd uitgegaan van een aanbod van 80 tot 100 uur Engels, verdeeld over groep 7 en 8. Uit peri- odiek peilingsonderzoek (PPON) van 1991, 1996, 2006 en 2012 bleek dat leerlingen in het basisonderwijs gemiddeld niet meer dan totaal zo’n 60 uur Engels kregen (Heesters e.a., 2008; Geurts & Hemker, 2013). Vroeg of laat Engels in het basisonderwijs Wat levert het op? Rick de Graaff