De geschiedenis van het Vlaamse kustlandschap presenteert zich vaak als een kroniek
vol heroïsche overwinningen van mens op natuur. Na een eeuwenlange natuurlijke
dominantie, vol grootschalige landschappelijke transformaties, verschijnt de mens op
het toneel, maken slikken en schorren plaats voor productieve polders, en moet de
duinengordel wijken voor een harde zeedijk. Dankzij noeste arbeid en technologische
revoluties in onder meer waterbeheer, beplantingstechnieken en kustbeheer, weet de
mens zich te beschermen tegen de brute kracht van de zee en slaagt hij er ook in zijn
territorium uit te breiden en maximaal te valoriseren. Tenminste, zo gaat het verhaal.
V
anuit dit binaire per-
spectief van ‘mens
versus natuur’ wor-
den zee en land tot elkaar ge-
doemd als eeuwige concurren-
ten. Binnen dit narratief vormt
de storm het epische moment
waarop zee en land de strijd
met elkaar beslechten. Zo werd
het ook bezongen door Jacques
Brel. Rampzalige gebeurtenis-
sen – van Superstorm Sandy
in New York tot onze eigen
Sinterklaasstorm – vormen
momenten waarop de mens
de duimen legt. Ze lokken vaak
een pavloviaanse reactie uit: de
lijn tussen land en zee nog meer verharden, verhogen en ver-
scherpen. Maar zijn zee en land werkelijk elkaars tegenpolen in
de kustzone? Is er geen andere manier om met kustverdediging
om te gaan, in plaats van het water en de zee als antipode te zien
van het land, van het territorium van de mens? [ figuur 1 ]
Zand- en kanttekeningen
bij het verleden
Verschillende passages uit de landschappelijke geschiedenis van
de Vlaamse kust laten zich niet vangen binnen de traditionele
dichotomie van ‘zee versus land’. Tot de late Middeleeuwen
was het kustlandschap een
intergetijdengebied dat een
continue metamorfose onder-
ging. Eb en vloed zorgden er
voor de dagelijkse variatie en
onder invloed van erosie- en
sedimentatieprocessen werden
slikken, schorren en veenge-
bieden steeds hertekend. Dit
landschap was ongetwijfeld
ruw en onherbergzaam, maar
de kuststreek was zeker niet
verlaten (Tys, D., 2005). In het
wisselland tussen water en land
was samenleven met de zee en
haar getijdenwerking het credo.
Denken we bijvoorbeeld aan de
kleine gemeenschappen die zich vestigden op de zogenaamde
‘terpen’ – kunstmatige heuvels die werden opgeworpen om ook
bij hoogwater op een droge plek te zitten. Hoewel terpen veelal
met de Noord-Nederlandse kust worden vereenzelvigd, kwamen
ze ook in de Vlaamse kuststreek voor.
In de elfde eeuw zouden twee à drie grootschalige dijken opge-
trokken worden, niet parallel aan, maar loodrecht op de huidige
kustlijn. Tot voor kort werd deze krachttoer verklaard vanuit het
zogenaamde Duinkerke-transgressie model (Verhulst A. 1965
en 1980). Deze theorie gaat uit van een fluctuerende zeespiegel,
een soort eb en vloed-proces dat zich over een tijdsspanne van
verschillende eeuwen voltrekt en een reeks plotse en snelle zee-
spiegelstijgingen tot de eerste helft van de elfde eeuw inhoudt.
DE ZEE > KUSTBESCHERMING
JEROEN DE WAEGEMAEKER [ INSTITUUT VOOR LANDBOUW- EN VISSERIJONDERZOEK (ILVO) – UNIVERSITEIT ANTWERPEN ]
MAARTEN VAN ACKER [ UNIVERSITEIT ANTWERPEN ]
Te land, ter zee en er tussenin
vanuit verleden en toekomst Een nieuw ontwerpperspectief
Wanneer de Noordzee koppig breekt aan hoge duinen
En witte vlokken schuim uiteenslaan op de kruinen
Wanneer de norse vloed beukt aan het zwart basalt
En over dijk en duin de grijze nevel valt
Wanneer bij eb het strand woest is als een woestijn
En natte westenwinden gieren van venijn
Dan vecht mijn land, mijn vlakke land
(JACQUES BREL, MIJN VLAKKE LAND)
FIGUUR 1 Illustratie van de Kerstvloed 1717 met schade in
Nederland, Duitsland en Scandinavië (Philomon Adelsheim)
© Reporters
32
| |
33