HERIJKING Diagnostiek van dissociatieve stoornissen met de SCID-D: mogelijkheden en beperkingen Suzette Boon Nel Draijer Abstract In 1980 werden de dissociatieve stoornissen voor het eerst opgenomen in de DSM-III. Deze stoornis- sen en met name de dissociatieve identiteitsstoornis (DIS) waren toen en deels nu nog omstreden. Sommige clinici beweerden dat DIS helemaal niet bestond, maar het resultaat was van iatrogenese, namelijk beı¨nvloeding van suggestieve patie¨ nten door overijverige behande- laars. De ontwikkeling en validering van systematische diagnostische instrumenten waren daarom van belang. Het Structured Clinical Interview for DSM-III-R Dis- sociative Disorders (SCID-D) blijkt inmiddels het meest degelijke diagnostische instrument. In dit artikel zullen we ingaan op de mogelijkheden en beperkingen van dit instrument bij de diagnostiek van dissociatieve stoornissen. De SCID-D De SCID-D is een semi-gestructureerd diagnostisch interview. 1 Het is nadrukkelijk bedoeld voor getrainde clinici met kennis van psychiatrische stoornissen en psy- chopathologie. In de SCID-D zijn vijf dissociatieve symptoomgroepen geoperationaliseerd: amnesie, deper- sonalisatie, derealisatie, identiteitsverwarring en identi- teitswijziging. De aard en de ernst van iedere symptoomgroep kan worden vastgesteld aan de hand van een ernstindeling, die gebaseerd is op de frequentie van symptomen in het heden of recente verleden. Orga- nische oorzaken, hersenletsel, alcohol- en druggebruik worden uitgesloten evenals lichte vormen van dissociatie van voorbijgaande aard. Daarnaast zijn vragen opgeno- men naar een aantal bijkomende kenmerken van DIS zoals stemmingswisselingen, leeftijdsregressie en stem- men horen. Het laatste deel van het interview bevat ver- volgvragen om vast te stellen of er sprake is van verschillende identiteiten. Op basis van de configuratie van de vijf dissociatieve symptoomgroepen wordt de aan- of afwezigheid van een DSM-IV dissociatieve stoor- nis vastgesteld. Het interview heeft een goede interbeoor- delaarbetrouwbaarheid en validiteit. Inmiddels wordt de SCID-D wereldwijd beschouwd als ‘gold standard’ voor het vaststellen van de DSM-IV dissociatieve stoornissen. 2 Dilemma’s bij de diagnostiek van dissociatieve stoornissen Het vaststellen van de dissociatieve stoornissen, in het bijzonder de DIS, is niet eenvoudig en vereist veel kennis en ervaring van de clinicus. Dat heeft verschillende oorzaken: Verschillende theoretische concepten van het begrip dissociatie Allereerst zijn er verschillende opvattingen over wat men nu eigenlijk moet verstaan onder dissociatieve sympto- men. Aanvankelijk hingen veel clinici de continuu¨mge- dachte aan: dissociatieve symptomen zouden zich op een continuu¨m bevinden met aan het ene uit- einde niet- pathologische verschijnselen als dagdromen en aan het Suzette Boon (*) Dr. S. Boon, klinisch psycholoog en psychotherapeut, is werkzaam bij Altrecht, afdeling Brinkveld ambulant, locatie Zeist; Dr. N. Draijer, psycholoog-psychotherapeut- psychoanalytica i.o., is werkzaam als universitair hoofddocent bij de Vakgroep Psychiatrie van de Vrije Universiteit/GGZ Buitenamstel en tevens als behandelaar bij het NPI en in eigen praktijk. Psychopraxis, jaargang 2007 (februari 2007) 09:27–32 DOI 10.1007/BF03072327 13