Recensies 565 R. Bhagwanbali, Contracten voor Suriname. Arbeidsmigratie vanuit Brits-lndië onder het indentured-labourstelsel 1873-1916 (Dissertatie Nijmegen 1996; Den Haag: Amrit, 1996,263 blz., ISBN 90 74897 12 6). Hoe is het mogelijk, dat grote groepen Aziaten uit vrije wil naar het Caribische gebied wilden komen om daar het onmenselijke plantagewerk te verrichten, waarvan de slaven na hun vrijla- ting eindelijk verlost waren? Deze vraag heeft tot nu toe het internationale onderzoek naar de geschiedenis van de Aziatische contractarbeid overheerst en daarbij is een tweedeling der geesten ontstaan. Een groep onderzoekers houdt vol, dat het ronselen, het vervoer, de tewerkstelling en de plantagearbeid op essentiële punten gelijk waren aan wat de Afrikanen hadden moeten doorstaan, wanneer zij als slaaf naar de Nieuwe Wereld werden gebracht. Anderen wijzen er daarentegen op, dat de contractmigratie op essentiële punten afweek van slavenhandel en sla- vernij. Kan de 'casus' Suriname nieuw licht op dit probleem werpen? De auteur van de hier bespro- ken dissertatie probeert op deze vraag een antwoord te vinden door zich te concentreren op twee stadia uit het migrantenleven van de ruim 33.000 Indiërs, die tussen 1873 en 1916 naar Suriname zijn gekomen: de werving en de verscheping. De conclusies, die Bhagwanbali presenteert zijn weliswaar voorzichtig en soms tentatief, maar onderschrijven in grote lijnen de 'voluntaristische' interpretatie van de contractmigratie. Zo constateert de auteur dat de meeste contractanten zich wel degelijk bewust voor werk over- zee lieten werven en bewust voor Suriname kozen, omdat de contractvoorwaarden voor die kolonie wat gunstiger waren dan voor de meeste andere bestemmingen. Voorts lijkt de auteur redelijk tevreden te zijn over de wijze, waarop het wervingssysteem functioneerde. Natuurlijk was er in de lange keten, die liep van emigratie-agent, tot sub-agenten, arkatia's en hulp- arkatia's wel een zwakke schakel, maar de auteur is overtuigd, dat de Britse koloniale over- heid in India er veel aan gelegen was om misstanden in de werving uit te bannen. Trouwens, intending migrants, die onder valse voorwendselen waren geronseld, kostten veel geld, omdat ze op kosten van de wervers weer teruggestuurd werden. Het systeem corrigeerde zo zichzelf. Tot slot lijkt ook het transport van de migranten de goedkeuring van de auteur te kunnen wegdragen. In vergelijking met de sterfte aan boord van schepen met Europese migranten voor Noord-Amerika was het sterftepercentage onder de Indiase passagiers op weg naar Suriname relatief laag. Deze conclusies doen vermoeden, dat we hier te maken hebben met een proefschrift dat is gebaseerd op de analyse van veel kwantitatieve bronnen. Niets is echter minder waar. De au- teur heeft weliswaar veel kwantitatief materiaal onder ogen gehad, maar de presentatie daar- van is gebrekkig en zelfs soms zinloos. Voorts lijkt de auteur zijn best te doen om ten aanzien van een aantal belangrijke vragen betreffende de werving en het vervoer het antwoord schuldig te blijven. Hij constateert slechts dat er een aantal elkaar tegensprekende interpretaties bestaan en trekt zich vervolgens geruisloos terug. Een derde onvergeeflijk manco betreft het literatuur- onderzoek. Uit de literatuuropgave blijkt, dat vrijwel alle studies over de contractmigratie ont- breken, die de afgelopen tien jaar zijn gepubliceerd. Overigens is dit laatstgenoemde defect nog het gemakkelijkst te verklaren. In het voorwoord wordt — heel versleuteld — verteld, dat de auteur vele jaren lang tevergeefs heeft geprobeerd met zijn manuscript in Leiden de doctorsgraad te verwerven en dat hem dat ten lange leste in Nijmegen gelukt is. Intussen raakte de literatuurlijst verouderd. Die veroudering komt aan het licht bij de bespreking van de sterfte aan boord van de 'koelieschepen'. Daaruit blijkt dat deze op de schepen naar Suriname steeds hoger was dan het gemiddelde. Waarom? De auteur zelf zegt vaag: '... door omstandigheden tijdens de overtocht,