Voetgangersgebieden en winkelwandelstraten: instrumenten voor binnenstedelijke transformatie? – Kobe Boussauw Eind juni 2015 werd de autovrije zone in Brussel drastisch uitgebreid, en omvat sindsdien niet enkel meer het toeristische gebied rond de Grote Markt, maar ook een groot deel van de zogenaamde centrale lanen. Hoewel het om één van de grootste voetgangerszones van Europa gaat, is het toch geen typisch winkelwandelgebied, en is het daardoor moeilijk te vergelijken met bestaande voetgangerszones in andere steden. De effecten van het verkeersvrij maken op het functioneren van de binnenstad waren dan ook moeilijk op voorhand in te schatten. Onder andere om deze reden werd het Brussels Centre Observatory opgericht, een samenwerkingsverband van Brusselse universiteiten dat de effecten van het voetgangersgebied bestudeert en beleidsaanbevelingen opstelt voor de verdere ontwikkeling van het gebied. Het voorliggende artikel gaat in op de specifieke problematiek van de lokale effecten op de kleinhandelsstructuur van het verkeersvrij maken van delen van stadscentra, aan de hand van een literatuurstudie. Uit de studie blijkt dat de meeste gedocumenteerde, economisch succesvolle cases een gemiddelde toename van zowel het aantal bezoekers, van de omzet van kleinhandel en horeca, en van de huurprijzen in de autovrij gemaakte kernwinkelgebieden vertonen. Succesfactoren zijn de aanwezigheid van een bepaalde kritische massa van bewoners in het stadscentrum, de aanwezigheid van een performant openbaar-vervoernetwerk, een relatief lage mate van autoafhankelijkheid van de stad, en een flankerend beleid gericht op het ontmoedigen van suburbane en perifere grootschalige kleinhandel. Ketenwinkels, voornamelijk in de sector kledij en aanverwanten, net als restaurants, lijken doorgaans baat te hebben bij een voetgangerszone, wat echter vaak niet het geval is voor handelaars in dagdagelijkse producten en volumineuze goederen.