/HLGVFKULIWMDDUJDQJQXPPHUGHFHPEHU 3DWHUQDOLVPHHQSURWHVW (WKLVFKH3ROLWLHNHQQDWLRQDOLVPHLQ1HGHUODQGV,QGLs  /-HURHQ7RXZHQ Minder dan een eeuw geleden was het heel gewoon dat een land een ander land als ‘kolonie’ bezat. Koloniseren betekent letterlijk het annexeren van overzeese gebieden ten bate van het moederland. Zowel het ‘annexeren’ als de vanzelf- sprekendheid dat dit diende tot profijt van het moederland (een kolonie werd ook wel wingewest genoemd) roept aan het begin van de eenentwintigste eeuw wel- licht verwondering op. Vandaag de dag kunnen wij ons goed voorstellen dat na verloop van tijd de inwoners van geannexeerde gebieden het zelfbestuur gingen opeisen. Hoewel de kolonisator daar weinig voor voelde, was er wel een edel- moedig streven om de kolonie iets terug te geven. In Nederland gingen aan het eind van de negentiende eeuw stemmen op die riepen dat Nederland een ‘ereschuld’ aan Nederlands-Indië had, omdat Ne- derland ten tijde van het Cultuurstelsel (1830-1870) zoveel aan de kolonie had verdiend. Hieruit ontstond de Ethische Politiek, die zich ten doel stelde het wel- zijn en de welvaart van de Indonesische bevolking te bevorderen, zonder dat dit overigens de belangen van de kolonisator mocht schaden. Intussen vroegen groepen Indonesiërs zich af waarom hun land bestuurd werd door een ‘moeder- land’, waarom zij zelf geen volwaardige soevereine natie vormden en waarom het moederland allerlei inkomsten opeiste. Er werden verschillende bewegingen opgericht die streefden naar zelfstandigheid van de kolonie. De opkomst van de Indonesische nationalistische beweging was natuurlijk hinderlijk in de ogen van de Nederlanders. Zij stelden dat hun aanwezigheid werd gerechtvaardigd door het feit dat zij beter in staat waren om het landsbestuur en de economie van het