II. Hoe fout is van Dale? 1 ‘Als jouw moeder joods was,’ zei hij, ‘dan ben jij dus zelf ook een jood’. Meteen trof het hem onaangenaam dat woord ‘jood’ uit zijn eigen mond te horen. Misschien mochten alleen joden het gebruiken, na alles wat er was gebeurd, misschien rustte er een taboe op …? Harry Mulisch, De Ontdekking van de Hemel H.J. Verkuyl Universiteit Utrecht 2.0 Inleiding. De feitelijke aanleiding voor dit tweede deel van mijn artikel ligt in een uitspraak van een van de hoofdredacteuren van Van Dale 12, H. Heestermans, als commentaar op een punt aan de orde gesteld door de in- terviewer in het oktobernummer van Onze Taal 61(1992) en door deze samen- gevat in de woorden: “Aan racistische en andere kwetsende woorden is voor het eerst het label <beledigend> toegevoegd. Van Dale heeft daarmee een primeur in het Nederlands taalgebied”. 2 Heestermans: (1) Ik vind dat noodzakelijk. De woorden die je opneemt, stammen uit de samenleving, de ideeën over die woorden ook. We zetten wel bij een woord dat het vulgair is, of informeel, of archaïsch, en ik vind dat Van Dale het ook moet weergeven als mensen zich door een woord gegriefd voelen. Ik heb vrij lang met joodse mensen gesproken over het woord jood in de geïncrimineerde betekenis - ‘woekeraar, afzetter, al te handige zakenman’. Velen van hen vinden dat ik dat woord moet schrappen. Maar dan zeg ik altijd: dan moet ik ook andere woorden schrappen, zoals boer. Bovendien zou ik door de betekenis van dat woord te schrappen de taalwerkelijkheid geweld aandoen. Dan zou Van Dale lijken op een Russisch geschiedenisboek, dat bij elke nieuwe regering de geschiedenis herschrijft. Bovendien kun je nu tegen iedereen zeggen die dat woord gebruikt: in Van Dale staat dat het beledigend is. Bij jezuïetenstreek staat nu ook dat het beledigend is. Bij vloeken als een Turk ook, omdat de Turken het als beledigend voelen.” 1 Het eerste deel van dit artikel verscheen in De Nieuwe Taalgids 86(3), pp. 14–39. Net als in deel I geeft ‘Van Dale n’ de n-de druk aan. De term ‘Van Dale’ zonder een numerieke aanduiding generaliseert nu, zover het in dit deel gaat om jood en joden-, over de drukken 1-12. Deel II zou niet geschreven zijn zonder mijn contacten met Mevr. E. Rafalowitch. Ik dank haar daarvoor. Ook dank ik Gina Siegel voor commentaar op eerdere versies. 2 Wat nu eigenlijk de primeur is, is niet zo duidelijk. Van Dale 8 gebruikte al, net als andere woordenboeken, labels als (minachtend), (spottend), (ongunstig), e.d.